Doorzoek volledige site
04 januari 2021 | FILIP CANFYN

Recensie (Filip Canfyn): 'Plaats' van Philippe Viérin

Illustratie | Public Space / Casier/Fieuws

Piet Chielens, bezieler van het In Flanders Field Museum in Ieper, vraagt aan Philippe Viérin, architect van de herbestemming van de Lakenhallen én achterkleinzoon van post-WOI-wederopbouwarchitect Jos Viérin, om als artist-in-residence (in volle coronatijd) die wederopbouw na honderd jaar te wikken en te wegen. Philippe antwoordt met een subliem want doorleefd en spitant boek, met schitterende teksten en foto’s.

Overgrootvader Jos(eph) Viérin (1872-1949), architect maar ook schepen van openbare werken in Brugge (1921-1938), mag begin vorige eeuw een druk bezet man genoemd worden. Hij ontwerpt, naast stadhuizen en kerken, het Lijsternest in Ingooigem, het Palacehotel in Zeebrugge, het Dominikanenkerkje in Knokke, het Groeningemuseum in Brugge, … en wordt belangrijk als wederopbouwarchitect van Diksmuide, Nieuwpoort en Lampernisse. Grootvader Luc (1903-1979) en vader Piet (1935) zetten de Viérin-dynastie verder, vooral als restauratiedeskundigen, en nu werkt vierde generatie Philippe (1969) met zijn noAarchitecten aan een oeuvre, dat naast dat van zijn stamvader kan staan: van de stadhuizen van Kortrijk, Menen en Lo-Reninge over de ’s Hertogenmolens in Aarschot en het Gruuthusepaviljoen in Brugge tot de Nieuw-Zuid-warmtecentrale in Antwerpen en de Kanal-Citroëngarage in Brussel. Telkens wordt intelligent, betekenisvol en spraakmakend ontworpen.

De bezige en boeiende familiegeschiedenis vormt de rode draad van ‘Plaats’. Er wordt rijkelijk geput uit het nauwgezet archief van Jos Viérin, die zelfs noteert dat hij in 1918, na vier jaar oorlogsquarantaine in Engeland, twee blikken corned beef meeneemt om in de Westhoek de wederopbouw voor te bereiden. Het wordt het doorleefde deel van het boek, op zich al meer dan de moeite waard.

Het wordt nog beter met het spitante deel. Philippe Viérin snijdt genuanceerde puzzelstukjes, die samengelegd de laatste honderd jaar, van de Groote Oorlog tot nu, als continue strijd tussen traditioneel en modern moeten weergeven. Jos Viérin belandt in een architectuur-ideologische chaos, die door Eugène Viollet-le-Duc, Louis Delancenserie, Edwyn Lutyens maar ook door Ebenezer Howard, Huib Hoste, Adolf Loos aangewakkerd wordt. Het kapotgeschoten Ieper wordt na de wereldbrand zelfs een internationaal dilemma: moet de uitgestrekte ruïne behouden worden als waarschuwend memento of moet wat was herbouwd worden als hoopgevend symbool? De positie binnen dit debat van overgrootvader blijkt duidelijk en doet de achterkleinzoon dieper ingaan op twee vragen.

Primo, wat is authenticiteit? Wat is het verschil tussen à l’identique en vieux-neuf? Waar begint pastiche en waar eindigt continuïteit? Wanneer blijft wederopbouw façade en decor en wanneer wordt wederopbouw inhoud en stad?

Secundo, hoe wordt daar de volgende jaren tot vandaag over gedacht? De auteur werkt eigenlijk drie boeiende stellingen uit. Eén, bouwen heeft een ingebouwde weerstand tegen vernieuwing en versnelling. Nog altijd wordt in essentie dezelfde baksteen handmatig gelegd. Twee, het optimisme na WOI, dat steekt in het willen heropbouwen van een maatschappij naar een geïdealiseerd beeld van hoe het was, wordt na WOII vervangen door een scepticisme, dat niet herbouwt maar toevoegt aan restanten en ruïnes. Drie, het modernisme wint uiteindelijk het pleit en geldt, zeker surfend op de golven van een neoliberaal systeem, als opgedrongen kracht. Hoopgevend is wel de herontdekking van collectiviteit, kleinschaligheid, ambachtelijkheid, spaarzaamheid, …, niet als blijk van schaarste zoals honderd jaar geleden maar als meerwaarde en betekenis op zich.

Zonder het zelf met evenveel woorden te zeggen concludeert Philippe feitelijk dat hijzelf het evenwicht tussen en de synthese van traditioneel en modern verwerkt in zijn ontwerppraxis, dankzij de impliciete lessen van zijn overgrootvader en zijn familiale erfenis. Daarom begrijp ik niet goed waarom hij schrijft: “Een architect is geen maker maar een denker.” De achterkleinzoon toont met zijn boek aan dat een architect maar beter een denkende maker of een makende denker wordt omdat die twee werkwoorden slechts zin hebben als ze samengaan.

Ik heb reeds te veel gezegd. ‘Plaats’ moet gelezen worden. Het moet gelezen worden als een brede maatschappelijke en menselijke vertelling, die toevallig ook over architectuur en bouwen gaat. De taal in woord en beeld én de boodschap getuigen van een onbetaalbare rijkdom. Zo wordt geschiedenis geschreven.

 

Plaats / Place
Auteur: Philippe Viérin
Uitgever: Public Space, 2020
Fotografie: Stijn Bollaert
Vormgeving: Casier/Fieuws
ISBN NL: 9789491789236

GERELATEERDE DOSSIERS