Doorzoek volledige site
04 januari 2021 | JOHAN RUTGEERTS

OPINIE. Johan Rutgeerts: 'Bedenkingen bij de nieuwe samenstelling van de Orde'

Illustratie | Johan Rutgeerts

Nu de nieuwe raden van de Orde van Architecten opnieuw samengesteld en geïnstalleerd zijn, vindt architect-urbanist Johan Rutgeerts het niet overbodig om – nog maar eens – te reflecteren over de taak, de opdracht en vooral de werking van de architectenorde.

De belangstelling van de architecten voor de Orde gaat verkiezing per verkiezing achteruit. Vaak is het in de provincies zoeken naar kandidaten.  Architecten nemen ook alsmaar minder deel aan de verplichte verkiezing. Dat zegt genoeg en hoeft ook niet te verwonderen: de Orde van Architecten schittert in haar afwezigheid op zowat alle fora waar het er voor de architecten toe doet.

Hoe dat komt? De Orde is nooit uitgestegen boven het niveau van een clubje welwillende architecten die denken iets voor het beroep te kunnen doen maar daar al jaren niet in slagen omdat ze vooral met de interne werking van dat clubje bezig zijn en nauwelijks buiten dat kader geraakt zijn.

Zeker, er is gewerkt aan een betere interne werking. De vraag is alleen of zoiets door de mandatarissen moet gedaan worden. Ik ken geen enkele instelling of organisatie die zo amateuristisch geleid wordt. Hebt u het al gehoord dat de voorzitters van belangrijke professionele organisaties het woord moeten voeren, het beleid van hun organisatie moeten vormgeven of sturen? Neen, die hebben daar een professioneel kader voor met aan het hoofd een gedelegeerd bestuurder, een directeur of een secretaris-generaal. Die figuur zorgt voor de uitvoering van het beleid dat door de raad van bestuur is uitgestippeld en waakt ook over de opvolging en continuïteit.

De Orde heeft wel zo’n kader ter beschikking doch doet daar niets mee. Een secretaris-generaal krijgt bij de orde enkel verantwoordelijkheid over de goede interne werking en moet er ook voor zorgen dat de rekeningen niet ontsporen.

Het is niet normaal dat de mandatarissen van de Vlaamse en Nationale Raad zich moeten buigen over personeelszaken, de interne werking, de begroting, beslissen over offertes en/of locaties. Dat behoort in alle goed werkende organisaties tot het domein van een staf, niet van de mandatarissen. Bij de Orde gebeurt net het omgekeerde.

In mijn carrière bij de Orde – als vertegenwoordiger van het onderwijs - heb ik zes voorzitters gekend die telkens oprecht overstroomden van mooie intenties voor een betere werking van het beroep. Er waren er zelfs met een tienpuntenprogramma, doch nooit beseften ze dat ze voor het uitrollen van een beleid noch de nodige ervaring hadden, noch over de nodige tijd beschikten, noch op het nodige netwerk konden rekenen,  noch konden vertrouwen op enige continuïteit in de aangekaarte materies.

Drie jaar voorzitter zijn is kort om telkens nieuwe gerechten te bedenken en tegelijk de soep van het vorige mandaat nog eens op te warmen. Geen enkele van die zes voorzitters heeft er ooit iets aan gedaan om dat noodzakelijke bovenkader van de Orde in stelling te brengen. Men zou dit kunnen schuiven op het conto van een te groot ego-gehalte; ik wijt dit aan het ongunstige neveneffect van de architectuuropleiding dat bij de afgestudeerden de illusie meegeeft dat architecten alles kunnen, dat ze desnoods de wereld kunnen heruitvinden.

Ik stamp wat open deuren in als ik pretendeer dat er aardig wat thema’s en uitdagingen zijn waar architecten en stagiairs in de uitoefening van hun beroep sinds 1939 mee geconfronteerd worden. Maak u geen zorgen: de Orde heeft daar wel al veel over nagedacht, veel gepalaverd, ettelijke rapporten opgesteld, enquêtes gehouden, zelfs besluiten genomen maar nooit een ei gelegd. De enige uitzondering - ere wie ere toekomt - was Jos Leyssens: hij kon de uitoefening van het beroep onder vorm van een vennootschap doordrukken. Dat wapenfeit ligt nu wel al een tijdje achter ons.

Voor het overige blijft de Orde vanop de zijlijn toekijken hoe het werkveld van de architecten blijft drijven in diverse richtingen, zonder dat architecten het gevoel hebben dat ze echt de vruchten plukken waarvoor ze zich dagelijks inzetten en hun jaarlijkse bijdrage betalen.

Alle voorbije voorzitters en voorzitsters waren van het oldschool leiderstype: zij die denken dat ze leiding moeten nemen. Wie in een instelling of organisatie als de Orde voorzitter is, zou moeten weten dat ze leiding moeten geven. Leiding geven, niet aan de mandatarissen maar aan het kader dat daarvoor aangeworven is.

Ik heb mij onlangs de bedenking gemaakt dat de scouts- en chirobeweging in dit land beter georganiseerd is en meer op het beleid weegt dan die dertienduizend architecten die verplicht aangesloten zijn bij een instelling die niet weet hoe ze zichzelf in onze maatschappelijke orde moet laten horen en laten gelden. Ik ben blij voor de jeugdbewegingen in dit land; ik ben treurig om de gebrekkige sturing van het architectencorps.

 

Johan Rutgeerts
Architect – urbanist
Uittredend lid van de Vlaamse en Nationale raad van de Orde van Architecten
Prof. Emeritus Bouwmanagement faculteit architectuur – KULeuven.