Doorzoek volledige site
08 januari 2021 | JOHAN RUTGEERTS

OPINIE. Johan Rutgeerts: 'De taak van de architect'

Illustratie | PxHere

“Veel architecten kennen het probleem: wat behoort nu wel en niet tot de taak van de architect? Voor veel opdrachtgevers is de taak quasi ongelimiteerd; voor veel architecten is dat ongepermitteerd. De ervaring leert: hoe dichter de architect bij de opdrachtgever staat, hoe normaler de opdrachtgever het vindt dat de architect voor alles en nog wat instaat, vooral voor alles wat fout loopt, ook door derden. Dat zijn bijna altijd de besturen, de adviesorganen, de uitvoerders, de buren, de gebruikers en soms ook … de opdrachtgevers zelf. L’enfer, c’est les autres”, aldus Johan Rutgeerts in zijn nieuwste opiniestuk.  

In de wet van 22 feb 1939 staat in art. 4 dat de architect de plannen opmaakt voor die werken waar er een voorafgaande vergunning voor nodig is, en dat die daar ook de controle op uitoefent. Enkel de deontologie van de architect omschrijft de taak met haar art. 20 in een zevental punten. Heel wat architecten hebben door scha en schande hun contracten regelmatig aangepast met het idee dat hen bij een volgende opdracht enig onheil bespaard zal blijven. Maar ik hoor en ik lees dat heel wat architecten, spijts de sluitende clausules in hun contract, niet steeds het gelijk aan hun kant krijgen. Het is vaak buigen of barsten.

Rechtbanken zijn al jaren vragende partij opdat de Orde van Architecten nu eens duidelijk zou vastleggen wat wel en niet tot de taak van de architect behoort. De OVA is daar wel degelijk een aantal keren mee bezig geweest. Er bestaat zelfs een door de Nationale Raad goedgekeurde tekst voor de aanpassing van art. 4 doch daar is verder nooit iets mee gedaan.

Dè hamvraag was telkens weer: moet er een extensieve takenlijst dan wel een zeer beknopte samenvatting komen? Er is ooit een extensieve lijst van mogelijke taken neergeschreven, zo’n tien bladzijden lang, die naderhand herleid werd tot twee bladzijden waarin per fase aangegeven werd wat de opdrachtgever kon verwachten van de architect en welke middelen de architect hiervoor kan inzetten om het beoogde resultaat te bereiken. Dat leek ons heel voortreffelijk.

Maar bij de beschouwingen over wat nu wel of niet tot de opdracht van een architect behoort, komt al gauw het vastleggen van het navenante ereloon om de hoek kijken. Een centrale kern die de taak beschrijft, lijkt interessant maar wat met die bijkomende, ondersteunende of aanvullende taken? Voor veel opdrachtgevers lijkt het evident dat ze bereid zijn een behoorlijk ereloon te betalen voor die kerntaken, als ook de neventaken er gratis bijgeleverd worden. Dat is al een eerste reden waarom het niet eenvoudig is om een takenlijst op te stellen.

In de veelgeprezen doch afgevoerde HOAI (Het Duitse Honorar fur Architecte un Ingeniere) was de taak van de architect gelimiteerd tot twee bladzijden, maar Duitsland zou Duitsland niet zijn als daar onderliggend een heel reeks normen en standaarden aan vast zaten waaraan de uitvoerende documenten moeten voldoen willen ze enige contractuele waarde hebben.

Men zou er haast voor gaan pleiten om het maar blauwblauw te laten.
 

"We vertellen niets nieuws als we stellen dat bouwen steeds complexer wordt. Er is geen weg terug en het zal in de toekomst niet verminderen. Het is aan de architect om in deze complexiteit de centrale rol van ontwerper en opvolger/controleur tot aan de oplevering op te nemen, in alle onafhankelijkheid ten aanzien van de opdrachtgever, de overheden, de uitvoerders en de gebruikers."

 

Van die strekking ben ik nu ook niet overtuigd. Er zijn wel degelijk redenen om art.4 van de wet van 1939 aan te passen aan een hedendaagse visie omtrent bouwen. In tegenstelling tot wat veel architecten denken is die wet er overigens niet voor de architecten doch om de opdrachtgevers en ook de maatschappij te beschermen.

We moeten dus komen tot een globale tekst en visie over de taak en de rol van de architect zonder een strak keurslijf te maken die een architect beperkt in de uitoefening van zijn beroep, ermee rekening houdend dat er niet één globaal type van standaardopdrachten bestaat noch van het bestaan van één type standaard-opdrachtgever.

Zo is er de eeuwige discussie of taak van de architect zich beperkt tot de stabiliteit en het waterdicht zijn, dan wel of de taak moet beantwoorden aan het begrip : fitness for use? Duurzaamheid en bouwfysische kwaliteiten van een gebouw zijn minstens even belangrijk geworden.

Het begrip fitness for use is al doorgedrongen in heel wat verwachtingspatronen: opdrachtgevers mogen in alle redelijkheid verwachten dat een gebouw ontworpen wordt en bij de uitvoering gevolgd en gecontroleerd wordt door een architect, opdat het kan gebruikt worden waarvoor het bestemd is. Daar kan dan nog weinig discussie over bestaan: de bestemming van een gebouw ligt immers vast bij de vergunning.

Het lijkt ons tevens logisch dat het gebouw, naast de stabiliteitseisen en bouwfysische noden, ook beantwoordt aan alle vigerende reglementen en normen die verbonden zijn aan de vastgelegde bestemming.
 

"Architecten die deze centrale rol in de toekomst nog willen opnemen zullen twee keuzes moeten maken: een ereloon vragen dat het werk, de inspanningen en verantwoordelijkheden op een faire manier vergoedt en, samenwerken, samenwerken, samenwerken."


We vertellen niets nieuws als we stellen dat bouwen steeds complexer wordt. Er is geen weg terug en het zal in de toekomst niet verminderen. Het is aan de architect om in deze complexiteit de centrale rol van ontwerper en opvolger/controleur tot aan de oplevering op te nemen, in alle onafhankelijkheid ten aanzien van de opdrachtgever, de overheden, de uitvoerders en de gebruikers.

Deze formulering is van belang om aan te geven dat een architect ook een beoefenaar is van een vrij beroep wat impliceert dat hij in alle onafhankelijkheid beslissingen moet voorbereiden, niet enkel tegenover zijn opdrachtgever maar ook ten aanzien van de diverse overheden en instanties die het kader scheppen waarbinnen de werken moeten uitgevoerd worden en tegenover de uitvoerders. De discussie over het al dan niet combineren van het beroep van architect met dat van opdrachtgever en/of uitvoerder is hiermee ook meteen van de baan. Ook de toekomstige gebruikers van de gebouwen hebben recht op gebouwen die een optimale combinatie zijn van duurzame architectuur en praktische bruikbaarheid.

Deze formulering in de wetgeving zal de architect meer autoriteit geven om ten aanzien van de opdrachtgever duidelijk te stellen welke verantwoordelijkheden beslissingen met zich meebrengen.

Eigenlijk pleiten we hier voor een centrale rol van de architect in heel het bouwproces. Dat is een keuze waarvan we menen dat die door een groot deel van architecten nog steeds gedragen wordt. Daar is ook een keerzijde aan: men kan geen centrale rol opeisen zonder de consequenties ervan te ondergaan. Architecten die deze rol in de toekomst nog willen opnemen zullen twee keuzes moeten maken: een ereloon vragen dat het werk, de inspanningen en verantwoordelijkheden op een faire manier vergoedt en, samenwerken, samenwerken, samenwerken.

Deze basisvisie werd reeds jaren geleden bedacht binnen de schoot van de OVA (2005) en ligt er al even lang te wachten om door de minister geïmplementeerd te worden in de wet van 1939. Het zou in de praktijk heel wat nodeloze discussies uitsluiten mocht de OVA eindelijk eens zijn schouders willen zetten onder de aanpassing van deze wet.

 

Johan Rutgeerts
Architect – urbanist
Prof. Emeritus Bouwmanagement faculteit architectuur – KULeuven