Doorzoek volledige site
09 februari 2021 | JOHAN RUTGEERTS

DWARSBEUK (Johan Rutgeerts): ‘Open dialoog nodig tussen architectuuronderwijs en beroepsveld’

Italiaanse vertaling van 'De Architectura Libri Decem' van Vitruvius, bewaard in het Amerikaanse Smithsonian Museum. Illustratie | Wikimedia Commons / Mark Pellegrini
Dit Systême Figuré, gepubliceerd door Augustin Charles d’Avilers in 1691, leest als een programma waaraan alle opleidingen zouden moeten voldoen. Illustratie | Johan Rutgeerts

De voorbije weken kon u op architectura.be al geregeld opiniestukken lezen van architect-urbanist Johan Rutgeerts. De professor emeritus wordt nu vaste columnist van architectura.be en zal zijn meningen voortaan op regelmatige basis met u delen in de rubriek DWARSBEUK. Bij architectura.be streven we ernaar om een website te zijn voor én van architecten, waar ook kritische stemmen aan bod komen. Onze nieuwe columnist zien we dan ook graag komen. In zijn eerste pennenvrucht als vaste columnist neemt Johan Rutgeerts het architectuuronderwijs onder de loep en pleit hij voor een open dialoog tussen de onderwijsinstellingen en het beroepsveld.

Wat studenten architectuur horen te kennen of te weten als ze afstuderen is een vraag die al een paar eeuwen oud is. Vitruvius wijdt er één van zijn tien boeken aan. Het is een beknopt lijstje dat vandaag inhoudelijk best overeind blijft. Als je de beperkte kennis van toen over sommige domeinen vervangt door wat er intussen wèl over geweten is, dan klopt het lijstje nog helemaal.

Het is niet duidelijk of Vitruvius bij Caesar naast het dingen naar opdrachten, ook nog aan het solliciteren was als directeur van een nog op te richten academie voor architectuur.

Het wordt wachten tot de zeventiende en achttiende eeuw eer de eerste academies voor architectuur opgericht worden, tenminste voor wat het Europese continent betreft. Het zou mij niet verwonderen dat er ergens in Azië reeds vroeger plaatsen waren waar de bouwkunst aangeleerd werd, naar analogie met de bouwloges rond de kathedralen of de besloten ambachtelijke corporaties.

Die Europese academies begonnen een publiek karakter te krijgen en dus was het een beetje noodzakelijk dat er wat structuur in de opleiding zou komen. In die periode komen er heel wat publicaties tot stand die een weerslag zijn van wat er op dat ogenblik in de bouwwereld aan kennis beschikbaar is. Een logisch gevolg van de losse verzamelingen van schetsen van Villard de Honnecourt, Leonardo da Vinci en vele andere rondreizende al dan niet zelfverklaarde genieën van de bouwkunst.

Augustin Charles d’Avilers publiceerde in 1691 le Dictionaire d’Architecture Civile et Hydraulique et des Arts qui en dépendent comme la Maçonnerie, la Charpentretrie, la Menuiserie, la Serrurerie et le Jardinage, in opvolging van zijn Cours d’Architecture.

Wat opvalt in zijn publicatie is zijn Systême Figuré dat leest als een programma waaraan alle opleidingen zouden moeten voldoen. Je moet geboren Fransman zijn om regels en systemen te bedenken.

Zowat alle architectuuropleidingen kennen een dergelijke logica die intussen aangevuld is met aanverwante vakken. Het behoort immers tot de vrijheid van het onderwijs om accenten te leggen die meer aansluiten met de humane wetenschappen, de vrije kunsten, de economische context of de zuivere beroepspraktijk.

Die vrijheid van onderwijs staat vaak haaks op de visie van beroepsverenigingen en de Orde die graag zien dat het onderwijs wat meer kant-en-klare inzetbare afgestudeerden zou afleveren. Want zeg nu zelf, wat leren ze daar eigenlijk allemaal op die faculteiten gedurende die vijf jaren?

Als de samenstelling en de evaluatie van de opleiding ter sprake komt, houden de onderwijsinstellingen die vertegenwoordigers van de praktijk liefst zo ver mogelijk buiten de muren. Bij de opstelling van de intussen weer afgevoerde ZelfEvaluatieRapporten (ZER’s) werden liever buitenlandse evaluanten aangetrokken dan dat vertegenwoordigers van dicht bij de deur zich zouden komen moeien met de opleiding. Die evaluanten hoorden vooral zichzelf graag bezig, het beroepsveld zou niet liever gehad hebben dan dat ze zelf de pen mochten vasthouden.

Er bestaat niet zoiets als een gedetailleerd uitgeschreven programma dat zou kunnen dienen als ‘eindtermen’ voor de architectenopleiding. Sinds de BAMA-hervorming is de opleiding tot architect omgevormd tot een master in de architectuurwetenschappen wat ruimte laat voor een eigen invulling.

Om de uitwisselbaarheid van de diploma’s mogelijk te maken – conform het Europese adagio van vrij verkeer van goederen en diensten – zijn er tien basisvaardigheden vastgelegd, die een niet echt concreet omschreven output vooropstellen. Als u naar artikel 46 van de Europese Richtlijn L354/32 surft, zal u lezen dat van de diploma’s verwacht wordt dat ze ‘het vermogen tot, de passende kennis bijbrengen, inzicht verschaffen in en de nodige vaardigheden aanrijken’ om tot die felbegeerde master te komen.

In de praktijk worden die diverse vaardigheden door alle architectuurfaculteiten ingevuld door de inmiddels bekende ECTS-fiches, passend in het creditsysteem, waarin meer in detail omschreven wordt wat de inhoud van het gedoceerde vak of praktijk is. Mede door het Europese Erasmusproject en de waaier aan keuzevakken, kan het zijn dat de ene afgestudeerde van een bepaalde vaardigheid nauwelijks soep geslurpt heeft maar van andere schotels des te meer verorberd heeft. Want de output is een optelsom: een architectuurstudent studeert af met 300 credits in zijn rugzak waarvan hij minstens overal de helft van de punten binnenhaalde of toch over de lat van vijftig procent heen getild werd. Daar dienen deliberaties voor.

Zo gaat het eraan toe van Noorwegen tot Portugal naar Griekenland en alle landen die er tussen liggen, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland uitgezonderd, maar daar moet u zich geen zorgen over maken want die twee uitzonderingen hebben wel een goede reputatie inzake architectuuropleidingen.

Voor het beroepsveld zou het allemaal wat helderder en duidelijker mogen zijn wat de opleiding nu precies inhoudt en wat minimaal de basis zou moeten zijn om in het beroep te mogen stappen. Voor het onderwijs, en zeker sinds de zogenaamde academisering, mag het allemaal wat opener en vrijer zijn. Toen de opslorping van alle architectuurscholen en -academies binnen de universiteiten een feit was, zijn de verschillende decanen rond tafel gaan zitten om de diverse programma’s naast elkaar te leggen en mogelijks tot een consensus te komen. Opvallend was dat bij de eerste besprekingen de architectuurscholen en academies graag en fier de kunstzinnige waarde van de opleiding naar voor schoven, tegenover de universiteiten die even graag en fier de wetenschappelijke onderbouwing van de opleiding in de verf zetten. Naarmate de besprekingen vorderden begonnen beide opleidingen in de diverse departementshoofden meer en meer op elkaar te lijken; de scholen en academies haalden aan dat het in hun opleiding zeker niet ontbrak aan wetenschappelijke onderbouwing en bij de architectuuropleidingen binnen de ingenieurswetenschappen ontbrak het plots zeker niet aan culturele en artistieke inslag. Nu zijn alle faculteiten nog meer concurrent van elkaar.

Met vage omschrijvingen is het niet meer duidelijk of een afgestudeerde het vermogen moet hebben het verschil aan te geven tussen een kolom, een paal, een zuil, een pilaster of een balk; moeten ze ook inzicht hebben het draagvermogen, de knik, de bezwijklast en de doorbuiging kunnen aangeven of verder nog, moeten ze deze ook kunnen berekenen?  Dat laatste werkwoord komt niet voor in het werkschema.

Het architectuuronderwijs past voor de rol van beroepsschool die rechtstreeks inzetbare afgestudeerden aflevert; soms lijkt het erop dat het beroepsveld liefst zelf de programma’s zou uitschrijven èn controleren. Zonder een oprechte open dialoog tussen beide werelden zal nooit iets bewegen om de verschillende verwachtingspatronen dichter bij elkaar te brengen.

Johan Rutgeerts
Architect – urbanist
Prof. Emeritus Bouwmanagement faculteit architectuur – KULeuven.