Doorzoek volledige site
11 februari 2021

Kindvriendelijke hoogbouw in sociaal-pedagogisch perspectief

Illustratie | © Alena Goede

Hoogbouw? Kinderen in een flat? Moet je dat wel willen? Die vraag stelde enkele jaren geleden DUS-Architecten. De vraag stellen is hem bijna beantwoorden. Ooit, in de jaren zeventig, was de galerijflat een broedplaats voor pril gezinsgeluk en alleen al in 1970 bouwde men in Nederland in één jaar 150.000 flatwoningen (een nooit meer geëvenaard aantal). Maar al snel ontstond er een imagoprobleem: te smalle, eentonige gaanderijen, de pislucht in de trappenhuizen, drugsdealers die kantoor houden in de bergingen, afval op de te smalle balkons of in de directe omgeving. De begane grond is tenslotte niemandsland, daarnaast vind je anonimiteit, gehorigheid en ga zo maar door. Al snel had de flat afgedaan en werd bestempeld als een uiterst ongewenste woonvorm. Zeker voor kinderen.

De verstedelijking rukt op, wereldwijd. In België en Nederland groeit ca. 60% van de kinderen op in de stad. Van oudsher heeft de stad een grote aantrekkingskracht door een groot voorzieningenniveau: huizen, werk, zorg, welzijn, onderwijs, cultuur en openbaar vervoer. Kortom, een ideale plek voor  kinderen en jongeren om op te groeien met welhaast een onbegrensde kansenstructuur.

Helaas zijn er ook belemmeringen en achterstelling (Mieke de Wit en Frans Spierings, 'Vastzitten in de lift’, 2006). Ondanks veel inspanningen van de overheid valt er nog veel te verbeteren voor grote groepen kinderen in slechte wijken. Ze groeien op onder geringe sociaal-economische en –pedagogische omstandigheden, waardoor ze aanmerkelijk minder kansen hebben op een gezonde ontwikkeling. Uit menig onderzoek blijkt dat onderwijsachterstanden, schooluitval, armoede, werkloosheid en criminaliteitscijfers in achterstandswijken significant hoger zijn dan in ‘betere’ wijken (Kwetsbare wijken in beeld, maart 2017, Platform31; e.a.).

Zo blijkt dat kinderen in betere buurten zich beter ontwikkelen en dat effect komt  voor een deel door de buurt zèlf: doordat kinderen samenspelen, door de bereikbare voorzieningen,  de subcultuur en de sfeer. Weliswaar duiden we ouders, het gezin als het primaire opvoedingsmilieu aan, inmiddels blijkt (Eilts, C. Opvoedingsmilieu, opvoedingsomstandigheden, 2016) dat de persoonlijke opvoedingsstijl van de ouders er minder toe doet. Het secundaire en tertiaire milieu, de school en de straat, is minstens zo vormend of zo men wil ‘misvormend’.  

Allerlei onderzoeken (De Visscher, S., 2008 ‘De sociaal-pedagogische betekenis van de woonomgeving  van kinderen’. Universiteit Gent) tonen aan dat een ‘goede’ woonomgeving een belangrijke voorwaarde is voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van bewoners. En in het bijzonder van kinderen. Een ‘goede’ woonomgeving is belangrijk, een domein waar kinderen kunnen spelen, zich min of meer autonoom kunnen bewegen en gebruik maken van de publieke ruimte. Maar een peuter of kleuter  zomaar alleen buiten laten spelen terwijl je op de vijfde verdieping woont? Voer voor een flatneurose … Hoogbouw en een goede woonomgeving, in de zin van een gezond sociaal-pedagogisch klimaat,  lijkt op voorhand paradoxaal.

 

Gezinsvriendelijke hoogbouw

Erik Grietens (o.a. auteur van ‘Vlaanderen in de knoop’ en werkzaam voor de Bond Beter Leefmilieu): “Het is duidelijk dat dichter bij elkaar wonen vele milieuvoordelen heeft. Maar hoe doe je dat?  De discussie gaat dan al snel over hoogbouw. En dan zijn de meningen verdeeld. Vlaanderen heeft geen ervaring met aantrekkelijke hoogbouw. We hebben geen goede voorbeelden. Integendeel. Hoogbouw associëren we met grijze sociale huisvesting, waar je niet uit vrije wil gaat wonen”. Het Architectenbureau DUS stelde, middels een enquête (i.s.m. Woonbron, Delft en het Nederlandse Ministerie van Vrom, 2004), een onderzoek in naar Gezinsvriendelijke hoogbouw. In hoeverre is hoogbouw belemmerend voor de ontwikkeling van (jonge) kinderen?

Grootschalige appartementsbouw en galerijwoningen (veelal in de sociale woningbouw) kennen nadelen: smalle, donkere gangen, geen herkenbare voordeur en min of meer gedwongen contacten met de omwonenden. Hier kenmerkt zich het anoniem wonen en de privacy is een groot probleem. De buitenruimte, de directe nabijheid van de flat, is als het ware niemandsland; want wie is verantwoordelijk? Veel ouders laten jonge kinderen dan ook in het zicht, b.v. op de galerij of alleen binnen spelen.  DUS-Architecten komt met een aantal verbeterde hoogbouw-alternatieven, waaronder de ‘verbeterde galerij- en portiekwoning’: brede galerijen zodat er een voetgangerstraat ontstaat die mogelijkheden geeft voor spontane ontmoeting, voor kinderspeelruimte, voor een bufferruimte tussen loopgang en de woning. Het stimuleert intensere sociale contacten. Tevens is het belangrijk voor de herkenbaarheid dat men de galerijen niet op elke verdieping situeert. Indien de twee verdiepingen meer uit elkaar liggen is er meer lichttoetreding. Zo ontstaat een eigen herkenbare voorgevel voor elke woning die uit meerdere niveaus bestaat, lange, horizontale lijnen dienen vermeden te worden en vooral de herkenning van de voordeur. Repetitie van meer dan vijf dezelfde volumes dient vermeden te worden.  

Deze hoogbouw-alternatieven bevorderen een kindvriendelijke woonomgeving. Maar ideeën over gezinsvriendelijke hoogbouw worden niet enkel ingegeven door een speelse, verkeersveilige, kindvriendelijke woonomgeving. Stedelijke verdichting is zo’n aspect, vaak te eenzijdig en negatief belicht. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat een negatief oordeel over de stedelijke omgeving  vooral samenhangt met de sociale kenmerken en niet zozeer met de fysieke kenmerken daarvan.  Het gaat dan vooral om botsende leefstijlen en om ongewenst gedrag van omwonenden  (Planbureau voor de leefomgeving, Tijdschrift v. Volkshuisvesting, 2010). 

Lees de rest van dit artikel en andere publicaties op de website van Goede Speelprojecten.

GERELATEERDE DOSSIERS