Doorzoek volledige site
18 februari 2021 | LIESBETH VERHULST

Projectontwikkelaars in debat over verdichting met Bouwmeester Wieërs en minister Diependaele tijdens ERA Rondetafel 2021

Illustratie | ERA Belgium

Makelaarsgroep ERA organiseerde deze maand een rondetafelgesprek over de toekomst van het wonen post-COVID. Deelnemers aan het debat waren Vlaamse Bouwmeester Erik Wieërs, Vlaams minister van Wonen Matthias Diependaele, CEO van Revive Alexandre Huyghe en Johan Krijgsman, CEO van ERA Belgium. Een van de thema’s die werd aangesneden, is verdichting. Alle sprekers waren er alvast van overtuigd dat de tendens naar compacter wonen zich ook na corona zal verderzetten. Enkele opvallende uitspraken: 'de bouwshift komt rijkelijk laat', 'we mogen mensen in open bebouwingen niet stigmatiseren' en 'door in te zetten op kwalitatieve woonprojecten met veel groene ruimte, komt verdichting vanzelf'. 

Verdichting

Cijfers van ERA wijzen uit dat de huizenprijzen in 2020 gemiddeld sneller stegen in de centrumsteden (7,01 %) dan in de rest van Vlaanderen (5,78 %). Is de stadsvlucht daarmee definitief verleden tijd? Volgens Erik Wieërs is de tendens om meer in de stad te gaan wonen al lang ingezet, zeker in het buitenland. “Toch is het niet mijn ambitie om iedereen de stad in te jagen”, klonk het stellig. “Wel is het belangrijk om toekomstige ontwikkelingen te positioneren op goed ontsloten plekken, in de buurt van de nodige voorzieningen. We moeten een soort van micro-centraliteit nastreven, en niet meer in afgelegen gebied gaan bouwen.”

Daar moet de bouwshift alvast toe bijdragen, al gaf minister Diependaele toe dat die er misschien niet snel genoeg gekomen is: “De ruimtelijke ordening in Vlaanderen sinds de jaren 60 is niet bepaald een toonbeeld van hoe het moet, maar het is goed dat we nu wel maatregelen nemen. De doelstelling moet vooral zijn om open ruimte in Vlaanderen zoveel mogelijk te vrijwaren. De komende jaren zullen uitwijzen of de instrumenten die we ontwikkeld hebben, ook afdoende werken. Ik heb er alvast een goed oog in.”

Voor Alexandre Huyghe van Revive komt de bouwshift rijkelijk laat, maar hij heeft de voorbije jaren in Vlaanderen al heel wat in de goede richting zien bewegen. “Ook met Revive hebben we tal van oude fabriekspanden zien converteren naar nieuwe, leuke plekken om te wonen. Dankzij zulke herbestemmingen kunnen we het buitengebied vrijwaren.”  

 

Compact wonen

Uit cijfers van ERA bleek onlangs nog dat de gemiddelde oppervlakte van verkochte woningen in 2020 voor het eerst in drie jaar is gestegen, met maar liefst 4 m2. Toch is Johan Krijgsman ervan overtuigd dat dit slechts een tijdelijke opflakkering is als gevolg van de coronacrisis: “De tendens naar compacter wonen zal zich voortzetten”, meent hij. “In België wonen wij trouwens zeer ruim in vergelijking met andere Europese landen. Wel ben ik van mening dat open bebouwingen nog moeten kunnen, maar ze mogen niet langer de standaardwoning zijn.” De vraag naar een groene woonomgeving is volgens Krijgsman bij de jongere generatie misschien nog sterker aanwezig dan vroeger. Toch hoeft die vraag niet gelijk te staan aan een open bebouwing ‘op de buiten’. “Er zijn vandaag tal van projecten middenin de steden die zich kenmerken door veel gemeenschappelijk groen en toch over voldoende privatieve buitenruimte beschikken. Het zijn net die buurten die vandaag succesvol zijn, en corona heeft de opwaardering van deze buurten alleen maar versterkt.” 

“Ook wij merken dat kandidaat-kopers vandaag veel belang hechten aan groen en er ook steeds meer voor open staan om dat te delen met de buren”, beaamt Alexandre Huyghe. “Met Revive hechten we al jaren veel belang aan openbare ruimte en daar worden we vandaag een stukje voor beloond, want net die wijken zijn nu erg in trek. Op het niveau van de woning merken we geen grote wijzigingen sinds corona de kop opstak. Het is niet zo dat iedereen nu op zoek is naar een woning met een extra bureauruimte. Wel is het zo dat kandidaat-kopers een woning verkiezen die breder inzetbaar is. Zo moet een slaapkamer meer dan vroeger voorzien zijn van een verwarming zodat ze overdag als bureauruimte kan dienen.”


Gedeelde groene ruimte

Erik Wieërs kan uit eigen ervaring spreken als het op collectieve ruimte aankomt. Hij woont in een binnengebied in hartje Antwerpen samen met twee andere gezinnen waarmee hij een gemeenschappelijke tuin deelt, een project dat hij realiseerde met zijn architectenbureau Collectief Noord, dat er ook gevestigd is.  “Toch hebben we dit project nooit opgevat als cohousing”, zegt hij. “We vonden het vooral zonde om ons stukje groen middenin de stad te gaan opdelen in plaats van het als een grote gedeelde tuin in te zetten. Iedereen beschikt trouwens ook over een privaat dakterras, dus ik ervaar op geen enkele manier een gebrek aan privacy.” Wat compacter wonen betreft, hebben we in Vlaanderen volgens Wieërs af te rekenen met een ‘planfetisjisme’. “Een ruimte is meer dan het aantal vierkante meters. Een ruimte wordt ervaren in combinatie met de hoogte, de lichtinval,...  Een kleinere woning met een grote gedeelde tuin en ruim terras kan daardoor als heel ruim ervaren worden”, meent de Bouwmeester.  

Volgens Johan Krijgsman is de term cohousing alvast niet populair in Vlaanderen, maar ook hij voelt aan dat kandidaat-kopers veel meer open staan voor het principe van een grote gedeelde ruimte, naast een privégedeelte. “De grond is nu eenmaal erg duur, en als je al die individuele tuintjes halveert en de rest samenbrengt, krijg je een veel aangenamere leefomgeving. En dat zijn ook de ontwikkelingen die werken. De wijken in de steden waar vandaag geen groene ruimte is, zijn niet de wijken waar de prijzen stijgen, wel integendeel. Projecten die alle voordelen van de stad combineren met het sociale aspect van wonen op de buiten, die als het ware een dorp in de stad zijn, dat zijn de projecten die goed verkopen.” Dat kan Alexandre Huyghe alleen maar beamen: “Als je de mensen terug de stad in wilt krijgen, moet je hen al het comfort aanbieden dat ze ook in een vrijstaande woning vinden, maar dan op een aangename plek middenin de stad.”


Denser wonen een logische evolutie?

Op de vraag of de eigenaars van woningen op slecht bereikbare plaatsen dan maar meer moeten belast worden, en de eigenaars op goed ontsloten plekken beloond; is het antwoord van minister Diependaele resoluut neen. “Mij zal je niet horen pleiten voor een belastingverhoging”, zegt hij met klem. “Daar moet je de markt laten spelen. Het is vooral zaak om het aanbod te vergroten met mooie inbreidingsprojecten. Bouwen in open ruimte zal sowieso duurder worden. De woningen die er al staan, zullen schaarser worden.”

Ook Alexandre Huyghe is geen voorstander van een belastingsysteem: “Door in te zetten op kwaliteit op de juiste plekken ga je mensen daar als vanzelf naartoe trekken en hoef je ze niet af te straffen”, meent hij.

Dat de evolutie zich vanzelf gaat voltrekken, gelooft ook Erik Wieërs. “Europa wil tegen 2050 het eerste klimaatneutrale continent worden. In de Green Deal zit ook een heuse renovatiegolf vervat om ons woningpatrimonium te verduurzamen. Wie in een slecht geïsoleerde villa woont, kijkt in dat opzicht al snel tegen honderdduizenden euro’s renovatiekosten aan. Dan wordt een mooie woning op een goed ontsloten plek, omgeven door groen, een aantrekkelijk alternatief. We moeten er vooral voor zorgen dat die aangename woonomgevingen in dense stedelijke milieus er zijn tegen de tijd dat al die woningen aan de strengere normen moeten voldoen, en dan zal die shift automatisch gebeuren.”

Toch wil Johan Krijgsman geen negatieve stempel drukken op mensen die wonen in een open bebouwing. “Die woningen zijn er en moeten er ook blijven”, meent hij. “Alleen voor de bijkomende groei, die nodig is voor de markt, moet je kijken naar hoe het beter kan. Laat de mensen die vandaag in een open bebouwing wonen daarvan genieten, en focus op de nieuwe projecten.”
Ook minister Diependaele wil dat mensen daarin hun eigen keuze kunnen maken. “Maar als overheid mogen we wel bepaalde maatschappelijke doelstellingen vooropstellen, en het vrijwaren van open ruimte is daar absoluut één van”, besluit de minister.