Doorzoek volledige site
16 april 2021

Een gebouw zo fascinerend en uniek als zijn inhoud

Illustratie | © Roland Halbe - Arch. © Ateliers Jean Nouvel
Illustratie | © Roland Halbe - Arch. © Ateliers Jean Nouvel
Illustratie | © Roland Halbe - Arch. © Ateliers Jean Nouvel

Het is gebruikelijk dat Franse presidenten een krachtig architectonisch en cultureel statement maken als blijvende erfenis van hun presidentschap. Verschillende politieke leiders hebben het voorbeeld gevolgd van Georges Pompidou, die met het Centre Pompidou aanzet gaf tot deze traditie. Deze multifunctionele locatie in hartje Parijs is een vroeg meesterwerk van Richard Rodgers en Renzo Piano en huisvest onder andere de grootste collectie moderne kunst van Europa.

Twee vergelijkbare statements zijn het Musée d’Orsay, een voormalig treinstation, en het Grande Louvre. Aan het eerste gaf Gae Aulenti onder het presidentschap van Giscard d’Estaing een nieuwe bestemming; president François Mitterand gaf opdracht tot de make-over van het Louvre met zijn glazen piramide en entree, ontworpen door I.M. Pei.

Het mocht daarom geen verrassing heten dat ook president Jacques Chirac zijn iconische landmark in de Franse hoofdstad wilde achterlaten. Zijn jarenlange interesse in de ‘Arts Premiers’ (niet-westerse kunst) en zijn aanzienlijke kennis van buitenlandse en vooral oosterse culturen vormden de basis voor een ambitieus project. Het zou een unieke omgeving moeten worden waar de verbluffende diversiteit en kwaliteit van 300.000 kunstobjecten van oude Afrikaanse, Amerikaanse, Aziatische en Oceanische culturen onder één dak op hun best tentoongesteld konden worden. Voor Jacques Chirac ging het erom “in tegenstelling tot de grauwe en bedreigende dominantie van de uniformiteit juist de grenzeloze diversiteit van culturen en kunst te benadrukken”.

 

Architectuur zonder weerga

Uiteraard moest deze kunst ondergebracht worden in een museum dat op zijn eigen manier al een uitdrukking was van zo’n radicale antipool van uniformiteit. Zelfs de geringste verwijzing naar de clichés van de hedendaagse architectuur diende te worden vermeden; het gebouw zelf moest de belichaming zijn van zijn unieke, authentieke inhoud.

 

Hoewel de panelen sinds 2006 iedere dag blootgesteld zijn aan de weerselementen en het stedelijke milieu, zien de panelen er nog steeds ongerept en levendig uit, net zoals op de dag dat ze gemonteerd werden.

Zoals architect Jean Nouvel het samenvat was het antwoord op deze uitdaging: “Een uitzonderlijke architectuur voor uitzonderlijke objecten.” Zijn architectenbureau, Ateliers Jean Nouvel, kreeg de leiding voor het ontwerp van het nieuwe museum. Jean Nouvel won eerder de Pritzker Prijs – algemeen beschouwd de Nobelprijs voor architecten – en staat aan het roer van een van de weinige, echt mondiale spelers onder de Franse ontwerpbureaus. Het bureau heeft kantoren in Parijs en Shanghai en een multicultureel team van 130 medewerkers.

Het team staat bekend om zijn experimentele kijk op architectuur en heeft over de hele wereld tal van unieke gebouwen neergezet, van Zuid-Korea tot de Midwest in de VS en van Denemarken tot Abu Dhabi.

 

Conventies trotseren met een doel

et Musée du Quai Branly – in 2016 omgedoopt tot Musée du Quai Branly-Jacques Chirac ter ere van zijn grondlegger – is beslist geen uitzondering, wat de New York Times ertoe bewoog het museum te beschrijven als ”uitdagend, mysterieus en in hoge mate excentriek”. Rustend op palen op de linkeroever van de Seine, naast de Eiffeltoren, doet het museum denken aan een lange voetbrug die, geheel onverwacht, eerder op de rivier uitkijkt dan eroverheen spant. In het bovenste niveau van de gebolde gevel is een combinatie van schuine vensters en 29 raamloze dozen van verschillende omvang verwerkt die uitsteken over de gehele lengte van het middengedeelte. De wirwar die hierdoor gecreëerd wordt staat in zo’n schril contrast met de gladde ronding van het gebouw dat ze er op het eerste gezicht een mysterieuze toevoeging op lijkt.

Deze dozen zijn meer nog dan enig ander element een zichtbare signatuur van het museum. Geen enkele doos is hetzelfde. Ze verschillen zowel in afmeting als kleur: Trespa® Meteon®- gevelplaten – in een assortiment van massieve kleuren uiteenlopend van taupe tot oker en tal van rode en bruine tinten daartussen – bleken hiervoor bij uitstek geschikt. Hoewel de panelen sinds 2006 iedere dag blootgesteld zijn aan de weerselementen en het stedelijke milieu, zien de panelen er nog steeds ongerept en levendig uit, net zoals op de dag dat ze gemonteerd werden.

Deze overhangende, veelkleurige en strak belijnde dozen zijn geenszins simpele decoraties. Ze vormen een zeer originele kijk op het klassieke adagium ‘vorm volgt functie’ en vervullen een tweeledig doel: ze zijn niet alleen een architectonische metafoor voor de duizelingwekkende diversiteit van culturen die in het museum tentoongesteld staat, ze vormen ook een ideaal scala van intiemere tentoonstellingsruimten om specifieke artefacten en collecties te presenteren. Als zodanig vormen ze een ideale aanvulling op het open space-concept van het museum als geheel: de belangrijkste tentoonstellingsruimten zijn inderdaad ontworpen met de gedachte grenzen te vermijden en dompelen de bezoeker meteen onder in de buitengewone diversiteit van de tentoongestelde kunst.

GERELATEERDE DOSSIERS