Doorzoek volledige site
03 juni 2021 | LIESBETH VERHULST

Paul Robbrecht bezoekt Belgisch paviljoen op Biënnale: “Een symfonie van de Vlaamse architectuur”

Paul Robbrecht Illustratie | Maarten Vanden Abeele

Het Belgisch paviljoen is onlangs in première gegaan op de Biënnale van Venetië. Het curatorschap is dit jaar in handen van Dirk Somers van Bovenbouw Architectuur, die in de tentoonstelling ‘Composite Presence’ de wrijving opzoekt tussen stad en architectuur. Door het coronavirus is het er nog niet over de koppen lopen maar toch zakten enkele Belgische architecten af naar Venetië en architectura.be schotelde hen ter plekke enkele vragen voor. Voor Paul Robbrecht, van wiens bureau het Rijksarchief en mediagebouw de tentoonstelling sieren, is het Belgisch paviljoen alvast zeer geslaagd. Hij omschrijft het als “een symfonie van de Vlaamse architectuur”. Binnenkort kan je hier ook een podcast beluisteren over het Belgisch paviljoen, ter plekke opgenomen door onze redactie. 

Wat is uw eerste indruk van het Belgisch paviljoen?

“Ik was aan het zwemmen tussen gebouwen, en zwemmen doe ik graag. Een gelukzalig gevoel bekroop mij bij het aanschouwen van dat prachtige idee van gebouwen met elkaar te confronteren maar ook met elkaar te laten spreken. De mooie lichtinval in het paviljoen draagt alleen maar bij tot de ervaring.”

"Uit de tentoonstelling komt een generatie van architecten naar voren – waarvan ik misschien de oudste ben – die een zeer levensvatbare architectuur maakt, ver weg van de springerige dingen die we soms in vorige edities van de Biënnale hebben gezien, gelukkig nooit in het Belgisch paviljoen dat altijd zeer bescheiden is gebleven. Hier wordt iets essentieels verteld over een stad die maakbaar is, zeker in de heel bijzondere context waarbinnen wij werkzaam zijn, en waar we vroeger soms denigrerend over deden maar waar eigenlijk een grote vitaliteit in aanwezig is. Die vitaliteit komt hier op geslaagde wijze tot uiting in de confrontatie van schalen en kleuren. De tentoonstelling leest echt als een compositie, of een symfonie van de Vlaamse architectuur, om het in muzikale termen uit te drukken.”


Hoe komt het thema van de Biënnale, ‘How will we live together?’, hierin tot uiting?

“De tentoonstelling sluit zeer goed aan bij het thema, dat natuurlijk zeer ruim is en vatbaar voor allerlei soorten interpretaties. Het is een sterk thema, dat zeer uitnodigend is om over na te denken. Ik denk dat ik alle Biënnales gezien heb sinds ze zijn opgericht in 1980. Van deze editie heb ik nog niet veel gezien omdat ik nog maar net ben gearriveerd in Venetië, maar het is meteen duidelijk dat het Belgisch paviljoen heel bijzonder is.”


Deze editie van de Biënnale werd vorig jaar uitgesteld omwille van de pandemie. Denkt u dat corona een (blijvende) invloed zal hebben op hoe wij samenleven?

“Het is nog te vroeg om in te schatten wat de blijvende gevolgen zullen zijn van de coronacrisis. We zitten er nog middenin. Maar dat er gevolgen zullen zijn, staat buiten kijf. Mensen hebben zich in allerlei schulpen moeten terugtrekken maar koesteren toch een zeer groot verlangen naar ontmoeting. Misschien zullen onze contacten minder oppervlakkig zijn, schaarser maar intenser.”
 

Twee projecten van Robbrecht en Daem architecten zijn opgenomen in de tentoonstelling: het 'Rijksarchief' in Gent, gerealiseerd samen met Arch & Teco, en het niet-gerealiseerde ‘Mediagebouw’,  ontworpen in samenwerking met DierendonckBlancke architecten. Hoe passen ze binnen de compositie?

“Het zijn twee heel specifieke projecten. Het niet-gerealiseerde mediagebouw is een verticale component in deze tentoonstelling. Het andere project – het Rijskarchief – maakt al voor de tweede keer deel uit van de Biënnale. Het stond ook in de voorgaande tentoonstelling in het Belgisch paviljoen waarvan Jan De Vylder curator was, maar op een heel andere schaal, middenin de straat. Jan De Vylder wilde toen benadrukken hoe schaarste kan leiden tot vakmanschap. Net die schaalverschillen vind ik in ‘Composite Presence’ zo frappant. Wat mij bijzonder treft, is hoe in al die architectuur veel kleur durft te primeren. We hebben dikwijls de indruk dat onze architectuur vooral grijs is, maar veel van die jongere generaties gaan pertinent voor kleur en dat is een zeer fijne insteek. Het kleurenspel draagt bij tot de symfonie van het geheel.”

“Ook de maquettes zijn zeer goed gemaakt. Een maquette is altijd een vereenvoudiging: je moet keuzes maken in wat belangrijk is om weer te geven en wat niet, en je niet verliezen in details. De maquettes in de tentoonstelling zijn in se heel eenvoudig, zonder af te doen aan de subtiliteiten die toch in bepaalde gebouwen zitten.”


Wat vindt u van de andere paviljoenen? Heeft u een favoriet?

“Ik heb alleen nog maar het Amerikaans paviljoen kunnen bezoeken omdat ik een zekere band heb met de architecten-curatoren (Paul Andersen en Paul Preissner onderzoeken in het Amerikaans paviljoen de geschiedenis van houtbouw in de Verenigde Staten, nvdr.). Ik vond het een zeer boeiende tentoonstelling die iets toont van de origine van het zeer eenvoudige bouwen met hout in de Verenigde Staten, wat in contrast staat met onze tradities van baksteen en beton.”
 

U won met uw bureau recentelijk meerdere ontwerpwedstrijden. Zijn er bepaalde projecten waar u naar uitkijkt?

“Mijn hart heb ik lang geleden al aan Brugge verpand, alhoewel ik een Gentenaar ben. In die zin is het fantastisch dat we na het Concertgebouw nu ook de kunsthal BRUSK mogen ontwerpen samen met Salens architecten. Ik ben iemand die evenveel houdt van hedendaagse kunst – door mijn verleden in die wereld ben ik zeer goed bevriend met heel wat hedendaagse kunstenaars – als van oude kunst. En nu zijn we ook met Rubens bezig, dé Rubens, een zeer complexe figuur, waarbij we aan de hele site van het Rubenshuis een nieuw gebouw mogen toevoegen, een project dat mij zeer nauw aan het hart ligt. Op een bijzondere manier werken we momenteel ook samen met OSAR aan een grootschalig hospitaalproject: het Jessa Ziekenhuis in Hasselt. Ik had nooit verwacht dat wij hospitalen zouden bouwen maar dit is al het tweede na het ZNA Cadix in Antwerpen dat bijna voltooid is. Heel fijn is ook dat we opnieuw woningen aan het ontwerpen zijn, op zeer mooie sites.”

“Uiteraard sta ik daarin niet alleen, maar heb ik mijn vrouw, zoon en een fantastisch team achter mij.  We zitten een beetje uit elkaar geslagen momenteel maar we hopen heel erg op een samenkomst in de nabije toekomst.”