Doorzoek volledige site
15 november 2021 | KEVIN MOENS

Oude brandweerkazerne ruimt plaats voor toonbeeld van medegebruik (ECTV architecten)

Illustratie | Marc Sourbron
Illustratie | Marc Sourbron
Illustratie | Marc Sourbron
Illustratie | Marc Sourbron
Illustratie | Marc Sourbron

In het uiterste puntje van de grensregio Westhoek bevindt zich het charmante Reninge, deelgemeente van de West-Vlaamse gemeente én stad Lo-Reninge. In de dorpskern, die geklasseerd staat als beschermd dorpsgezicht, gaan achter een sobere bakstenen façade met kruisvormige uitsparingen de lokalen van de kunstacademie en de speelpleinwerking schuil op de site van de voormalige jongensschool. Een symbiose van medegebruik, doordachte architectuur en eerbied voor de typische naoorlogse ontwerptaal in die contreien. 

De school dateert uit de jaren 1920 en is opgetrokken in de wederopbouwarchitectuur die typerend was voor die periode met onder meer gedetailleerd metselwerk in gele baksteen en geprofileerde muuropeningen. Het gebouw bestaat uit een vleugel dwars op de straat onder een pannen zadeldak, met een portaal aan de straatkant. De huidige invulling van de school omvat een openbare bibliotheek en buitenschoolse kinderopvang.

Voor de werken bevond er zich in het verlengde van de schoolmuur een brandweerkazerne met een aantal bijgebouwen. Bij de bouw van die kazerne aan de straatkant werd een deel van de oorspronkelijke straatmuur afgebroken zonder veel aandacht voor de ritmiek en het detail van het metselwerk. In 2014 fuseerden de brandweerkorpsen waardoor de kazerne in onbruik raakte.

 

De vraag: Hoe het patrimonium efficiënter benutten?

In 2014 voerde ECTV architecten een studie uit voor de gemeente Lo-Reninge om nieuwe potenties of bestaande knelpunten binnen het eigen gebouwenpatrimonium in kaart te brengen. “De opportuniteiten situeerden zich bij een aantal gebouwen die recent waren vrijgekomen of die in de toekomst zouden vrijkomen, zoals de brandweerkazerne in Reninge”, vertelt architect Tania Vandenbussche. “Bij de knelpunten waren er onder meer vragen rond de bouwfysische toestand van bepaalde gebouwen, bij de gebrekkige zichtbaarheid van sommige gemeentelijke activiteiten of de te krappe huisvesting van een aantal functies. Anderzijds was er ook de vraag naar de huisvesting van een programma dat zich voor een groot deel rond activiteiten voor jongeren en kinderen situeerde. Bij het in kaart brengen van de verschillende activiteiten en de momenten waarop deze plaatsvinden, bleek een zeer geringe bezetting in de tijd waardoor de vraag zich stelde of het patrimonium efficiënter benut kon worden door activiteiten die op verschillende tijdstippen plaatsvinden lokalen te laten delen.”

[...]

Het volledige artikel lees je hier

GERELATEERDE DOSSIERS