Doorzoek volledige site
02 april 2014

Leveren moderne compactere stookketels die minder verbruiken minder problemen op?

Verschijning van vochtplekken op de binnenafwerking en aan de omtrek van het rookgasafvoerkanaal. Illustratie | WTCB/CSTC
Warmtewisselaar van een stookketel. Illustratie | WTCB/CSTC
Afzettingen van ijzeroxides in de leidingen. Illustratie | WTCB/CSTC

De afgelopen jaren zijn de stookketels van de nieuwe generatie een stuk rendabeler en compacter geworden. Deze evolutie ging echter gepaard met een toename van bepaalde problemen die vroeger zelden of nooit de kop opstaken. In dit artikel gaat WTCB dieper in op twee schadegevallen die onderzocht werden naar aanleiding van de vervanging van een oude atmosferische stookketel door een nieuwe condensatieketel met een gesloten verbrandingskring.

Vochtproblemen ter hoogte van bestaande rookgasafvoerkanalen en een gebrekkige trek

De vervanging van een oude stookketel door een moderne gaat onder meer gepaard met een vermindering van de rookgastemperatuur in het afvoerkanaal van de verbrandingsgassen. De rookgastemperatuur aan de uitgang van de stookketel daalt immers van 200 °C of meer tot 120 °C of minder (bij condensatieketels is het bijvoorbeeld niet uitzonderlijk dat de rookgastemperatuur slechts 40 tot 50 °C bedraagt).

Indien de nieuwe stookketel aangesloten wordt op een bestaand (niet-geïsoleerd) rookgasafvoerkanaal, bestaat er een groot condensatierisico in dit kanaal. Wanneer de schoorsteen niet gevoerd werd, kan deze condensatie vochtplekken doen verschijnen op de binnenafwerking. Deze zullen zich vooral manifesteren aan de omtrek van het rookgasafvoerkanaal, voornamelijk aan de bovenkant ervan (waar de rookgastemperatuur het laagst is) (zie afbeeldingen 1 en 2).

De hoeveelheid condensatie die gevormd kan worden in een rookgasafvoerkanaal, is onder meer afhankelijk van het debiet van de rookgassen, de temperatuur ervan aan de uitgang van de stookketel en de afkoeling in het rookgasafvoerkanaal. Deze laatste parameter is mede afhankelijk van de sectie en de thermische isolatie van het rookgasafvoerkanaal (een overdimensionering van de sectie en een gebrek aan thermische isolatie leiden tot een grotere daling van de rookgastemperatuur), van de temperatuur in de ruimten die grenzen aan het rookgasafvoerkanaal (buitenomgeving, al dan niet verwarmde ruimte ...), van het tracé en de lengte van het rookgasafvoerkanaal en van de hoeveelheid waterdamp die ontstaat bij de verbranding (afhankelijk van de brandstof).

We willen er bovendien op wijzen dat de aansluiting van een nieuwe stookketel met natuurlijke trek op een bestaand rookgasafvoerkanaal aanleiding kan geven tot een gebrekkige trek, waardoor de beveiliging van de stookketel veelvuldig in werking kan treden.

Om voornoemde problemen (inwendige condensatie en gebrekkige trek) te vermijden, dient men vooraf te verifiëren of het bestaande rookgasafvoerkanaal (type, sectie, hoogte) hergebruikt kan worden (zie § 9.2 van de TV 235). Indien dit niet het geval is, dient men het rookgasafvoerkanaal aan te passen overeenkomstig de huidige normen (NBN B 61–001 of NBN B 61–002) of een nieuw rookgasafvoerkanaal te installeren dat aan voornoemde normen beantwoordt. In dit laatste geval dient men na te gaan of er geen stookketel met horizontaal geplaatste wanddoorvoer geplaatst kan worden.

Bij de vervanging van een stookketel die aangesloten was op een collectief rookgasafvoerkanaal (bv. in een appartementsgebouw) zal men een aantal bijkomende onderzoeken en/of interventies moeten uitvoeren. Bovendien is het gebruik van condensatieketels in combinatie met dergelijke kanalen uitgesloten (zie WTCB-Dossier 2012/4.15 en 2013/4.12).

 

Lees dit artikel verder op de website van WTCB