Doorzoek volledige site
09 april 2014

Tussen ruwbouw en afwerking: evolutie van de materialen en hun karakteristieken

Scheurvorming in een vloerbetegeling met thermische blokken onder het raam. De scheurvorming verloopt in het verlengde van de binnenzijde van de isolerende blokken. Illustratie | WTCB / CSTC
Dekvloer met plaatselijk minder cohesieve zones. Illustratie | WTCB / CSTC
Doorsnede aansluiting tussen de vloer, de muur en het schrijnwerk. 1.Thermisch isolerend bouwblok;2. Scheurvorming: 3.Dekvloer Illustratie | WTCB /CSTC

Eenmaal de ruwbouw- en isolatiewerkzaamheden achter de rug zijn, gaat de aandacht naar de afwerking van de binnenruimten. Doorgaans is het volgens het WTCB – om verschillende redenen (luchtdichtheid, thermische en akoestische isolatie, toleranties …) – echter onmogelijk om rechtstreeks een afwerkingslaag aan te brengen op de ruwbouwelementen en moeten er aangepaste tussenlagen voorzien worden (bv. een dekvloer of bepleistering). 

De wijzigingen in het bouwproces onder invloed van de nieuwe maatschappelijke uitdagingen en de steeds strenger wordende reglementeringen oefenen bovendien een invloed uit op de karakteristieken en de uitvoering van deze tussenlagen en brengen in sommige gevallen ook nieuwe vormen van pathologie met zich mee.

 

Evolutie naar zwevende dekvloeren

Vóór de invoering van de EPB-regelgeving werden vloeren nauwelijks thermisch geïsoleerd en werden de dekvloeren rechtstreeks op de draagvloer aangebracht (eventueel met tussenplaatsing van een kunststoffolie). Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen werd er een zwevende dekvloer voorzien op een dunne laag thermische of akoestische isolatie. De meest frequente schadegevallen met dekvloeren die destijds gemeld werden bij het WTCB, betroffen het ontstaan van scheuren in de dekvloer en het minder cohesief zijn van het oppervlak van de dekvloer.

Scheurvorming in dekvloeren is vaak het gevolg van de onvermijdelijke krimpwerking van de dekvloer tijdens de droging. Een beperkte oppervlaktecohesie van de dekvloer (zie afbeelding 1) is op haar beurt veelal te wijten aan een onaangepaste samenstelling of onvoldoende verdichting van de dekvloermortel en/of aan een te snelle droging van het dekvloeroppervlak. Dit laatste kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de dekvloer uitgevoerd wordt in een gebouw dat nog niet luchtdicht is. Steeds vaker worden ook warmtekanonnen of luchtontvochtigers gebruikt om de drogingstermijnen zo kort mogelijk te houden en het bouwtempo te bevorderen. Door het inzetten van dergelijke toestellen neemt de kans op een te snelle droging van de dekvloer echter toe.

Tegenwoordig dient men om akoestische en energetische redenen normaliter steeds een akoestische en/of thermische isolatie te voorzien in de vloeropbouw. Deze wordt doorgaans rechtstreeks aangebracht op de draagvloer of op een uitvullingslaag die op deze laatste aangebracht werd (en waarin de leidingen vervat zitten). De dekvloer wordt vervolgens aangebracht op deze isolatielaag. We spreken in dit geval van een zwevende dekvloer.

In de TV 193 en het WTCB-Dossier 2009/3.15 gaf het WTCB reeds aan dat de realisatie van een zwevende dekvloer delicater is. Daarom worden voor dit soort dekvloeren ook een aantal bijkomende plaatsingsrichtlijnen voorgeschreven. Zo dienen zwevende dekvloeren steeds uitgerust te zijn met een wapening die aangebracht wordt tussen het onderste derde en de helft van de dikte van de dekvloer. Deze wapening moet de opgewekte spanningen in de dekvloer verdelen en de vervormingen van de dekvloer (bv. krimp en uitzetting) opvangen en overbrengen naar de verdeelvoegen. Daarnaast moet de dekvloer ook onderverdeeld worden in velden met een oppervlakte van maximaal 50 m² (40 m² voor verwarmde vloeren), een lengte van maximaal 8 m en een lengte/breedteverhouding van maximaal 2/1. Verder worden er ook eisen gesteld aan de samendrukking van de (thermische) isolatie onder de dekvloer (zie WTCB-Dossier 2010/4.12). Hierbij wordt de samendrukking vaak beperkt tot een zeker percentage van de oorspronkelijke dikte van het isolatiemateriaal en worden er ook eisen gesteld aan de absolute vervorming van de isolatie (in mm).

Aangezien de mechanische karakteristieken de belangrijkste eigenschap van de (zwevende) dekvloer zijn, is een goede samenstelling van deze laatste van primordiaal belang. Voor de realisatie van een zwevende dekvloer wordt doorgaans minstens 250 kg cement per m³ zand gebruikt. Het aangewende zand mag niet te fijn zijn (zie TV 189, afbeelding 7), vermits dit de krimpwerking van de dekvloer kan bevorderen. We raden aan om zand te gebruiken met een granulometrie van minstens 2/5.

Lees dit artikel verder op de website van WTCB