Doorzoek volledige site
26 mei 2014 | JOHANNES VAN CAUWENBERGHE

Bottom-up is not enough

Veel volk op de officiële voorstelling Illustratie | Crimson Architectural Historians (website)

Architectuur is er voor de mensen. De Nederlandse architectuurhistorici Crimson pleiten al 20 jaren voor een bottom-upbenadering. Maar het is tijd voor een evaluatie van de bottom-uppraktijk. Dat was de belangrijkste boodschap tijdens de bijeenkomst ‘Bottom-up is not enough’ in Het Nieuwe Instituut in Rotterdam.

Tijdens de architectuurbiënnale van São Paulo werd het onderwerp eerder al aangesneden. Het kaderde in het debatprogramma Track Changes, over de rol die architecten en stedenbouwers kunnen spelen in tijden van economische, politieke of sociale crises.

Hoe kunnen nieuwe benaderingen van ontwerp en planning de kleine schaal overstijgen en opgenomen worden in het beleid en/of de markt? Hoe kan top-down planning geïntegreerd worden met bottom-upinitiatieven? 

Het artikel van Lotte Haagsma in ArchiNed is de moeite waard om in zijn geheel te lezen. (Als je tijd hebt, ga zeker eens kijken: ‘Heel veel mensen kunnen helemaal niet bottom-uppen’.) Maar ik geef al een fragment mee:

“Nu de opdrachtenstroom van grote iconische gebouwen hapert, verschuift de aandacht van de vakgemeenschap naar de praktijk van kleinschalige, vaak tijdelijke projecten, die de afgelopen jaren overal opdoken. Wat eerst een niche was, heeft door de crisis ruimte gekregen en is mainstream geworden, signaleert Michelle Provoost (Crimson en directeur INTI) in haar inleiding op het debat. Daar schuilt meteen ook een addertje onder het gras, waarschuwt Provoost. Want enerzijds komen de bottom-up-projecten in hun specifieke, concrete en directe aanpak regelmatig in botsing met de standaardpraktijk van commerciële vastgoedontwikkeling en met de bureaucratie van lokale overheden. Anderzijds worden de projecten door diezelfde marktpartijen en overheden omarmd om er hun voordeel mee te doen. De projecten zijn immers goedkoop en onschadelijk door hun kleine schaal en tijdelijkheid. Ze worden zelfs steeds vaker door commerciële marktpartijen en overheden geïnitieerd; er is een hele industrie ontstaan van tijdelijke, creatieve, pop-upprojecten. De paradox is dat bottom-up de nieuwe standaard is geworden, er is sprake van een van overheidswegen opgelegde do-it-yourself. Zelforganisatie en participatie worden door de Nederlandse regering gepropagandeerd, maar het ontbreekt de overheid aan daadwerkelijke betrokkenheid om ook echt wet- en regelgeving aan te passen. Ook wijzen sociologen op de vaak eenzijdige samenstelling van de deelnemers aan bottum-upprojecten: veelal hoogopgeleide stadsbewoners die op deze manier hun eigen leefomgeving verbeteren.”

En verder: “De logge machine van de stedelijke ontwikkeling moet worden opengebroken en geïnfiltreerd. Dat is een veel ingewikkelder en tijdrovender proces dan het doen van incidentele interventies.”

De boodschap is duidelijk: de ontwerper heeft een belangrijke rol te spelen bij het ontwikkelen van strategieën waarmee de kleinschalige, tijdelijke projecten een bredere maatschappelijke betekenis kunnen krijgen.