Doorzoek volledige site
07 augustus 2014 | JOHANNES VAN CAUWENBERGHE

Vlaamse Bouwmeester: "Alles wat goed is behouden." Reacties uit de sector.

Logo Vlaams bouwmeester Illustratie | Website Vlaams Bouwmeester
Kris Baetens van de Vlaamse Architectenorganisatie NAV heeft vragen bij de omschrijving van dat middenveld, en de politieke macht die bij dergelijke aanduiding ontstaat.
Christoph Grafe ziet geen heil in de ‘inkanteling’, en onderstreept het belang van de onafhankelijkheid van de Bouwmeester en zijn team.
Peter Vermeulen van Vlaamse Vereniging voor Ruimte & Planning VPR pleit in eerste instantie voor het behoud van de absolute onafhankelijkheid van de Bouwmeester, maar is er ook voorstander van om de thematiek te verruimen naar ruimtelijke ordening.
Leo van Broeck formuleert voorzichtig de hoop dat een depersonalisatie van het Bouwmeesterschap de kritiek vanwege het architectencorps kan ontkrachten en tot een sterker bouwmeesterschap kan leiden.

In zijn huidige vorm zou de Vlaams Bouwmeester verdwijnen, stelt het nieuwe regeerakkoord. Huidig Bouwmeester Peter Swinnen zou zijn mandaat uitdoen en halfweg volgend jaar vervangen worden door een vijfkoppig college onder bevoegdheid van ruimtelijke ordening. Voorzichtig optimistisch, voorzichtig pessimistisch formuleren woordvoerders van beroepsverenigingen hun eerste reacties op het regeerakkoord. Er leeft een bescheiden hoop dat alles wat goed is behouden kan blijven.

Ook beroepsarchitecten pleiten voor kwalitatieve architectuur en stedenbouw, onderworpen aan het maatschappelijk belang. Vaak wordt vergeten dat Vlaamse architectuur in hoofdzaak een product is van competitieve bureaus die elk op hun manier, en desondanks de crisis, de grotere concurrentie en de wildgroei aan regelgeving, iets kwalitatiefs trachten neer te zetten. Ook al was er weinig eensgezindheid over de visie van de huidige Bouwmeester en met name over de betrokkenheid van de Vlaamse architecten, heeft een onafhankelijk en visionair Bouwmeester bij beroepsarchitecten nog lang niet afgedaan.

De passage in het regeerakkoord van de kersverse Vlaamse regering (zie ons vorig artikel) lokt bij velen verontwaardigde reacties uit. Toch laat de formulering heel uiteenlopende interpretaties toe. We polsten het bij de directeur van de Vlaamse Architectenorganisatie NAV Kris Baetens, voorzitter van Belgische Federatie van Architectenverenigingen FAB Leo Van Broeck, woordvoerder en voormalig voorzitter Peter Vermeulen van de Vlaamse Vereniging voor Ruimte & Planning VRP, en Christoph Grafe, directeur van het Vlaams Architectuurinstituut VAi. We vroegen wat zij ervan vinden om de Bouwmeester te vervangen door een bouwmeestercollege, dat dit college (deels) zou verkozen worden door het middenveld, en van de voorgestelde “inkanteling” in Ruimtelijke Ordening.

 

Middenveld of middelmaat?

Waarmee men algemeen beschouwd het meest moeilijkheden heeft, is de suggestie dat het Bouwmeestercollege mee aangeduid zou worden door het middenveld. Kris Baetens van de Vlaamse Architectenorganisatie NAV heeft vragen bij de omschrijving van dat middenveld, en de politieke macht die bij dergelijke aanduiding ontstaat. Enerzijds is er de vraag wat of wie men als het middenveld beschouwt. Maar prangender, is anderzijds de vraag wie dat middenveld zal aanduiden. “Welke instanties zijn dat? En welke verantwoordelijkheid zullen ze dragen bij het maken van die keuze?”, vraagt Kris Baetens.

Verder pleit NAV enkel voor een grotere betrokkenheid van het middenveld. “We hebben altijd gepleit voor een betrokkenheid vanuit het middenveld. En dat is waar het de laatste maanden, jaren wat aan schortte. We kregen heel wat reacties van architecten die niet makkelijk konden volgen. We ondervonden dat die betrokkenheid te licht was. Daarom pleiten we vanuit het NAV om de betrokkenheid te verhogen.”

Christoph Grafe van het VAi vraagt zich eveneens af wat men als het architecturaal middenveld beschouwt. “Heeft dit betrekking op de architecten, de opdrachtgevers, de promotoren, vertegenwoordigers van verschillende geledingen in de samenleving?”

Grafe legt verder de nadruk op de culturele achtergrond die het oordelen over ruimtelijke kwaliteit vereist. “Aangezien het de taak van de Bouwmeester is om architecturale kwaliteit te bewaken en bewerkstelligen, en waar nodig ook corrigerend op te treden, is het essentieel dat het culturele aspect in de selectie van de personen zeer zwaar doorweegt.”

Een Bouwmeestercollege aanstellen voor administratieve taken zou bovendien een verdubbeling opleveren, aldus Grafe.

Niet ondenkbaar is dat het Bouwmeestercollege gevraagd wordt om economische belangen in bouwmeesterbeleid vertalen. “Keuzes mogen zeker niet een afspiegeling van de bestaande economische belangen zijn, die de architectuur en stadsplanning per definitie domineren en zich in het verleden hebben doen gelden”, vindt Grafe.

Voorzitter FAB Leo van Broeck vindt het voorstel dat een Bouwmeester aangesteld zou worden vanuit het middenveld een drama. “Je moet luisteren naar het middenveld, maar je moet niet gehoorzamen. Een Bouwmeester zou een systematische consultatie van het middenveld moeten plegen, om te horen wat er leeft. Maar als we ook de benoeming aan het middenveld overlaten, dreigt het Bouwmeesterschap onherroepelijk in de middelmaat te stranden”, vreest van Broeck.

NAV is bereid om daarover in de debat te gaan met de Vlaamse Regering. “Het Bouwmeesterschap heeft de afgelopen jaren echt iets betekend voor de architectuur in Vlaanderen”, zegt Baetens. “De vraag is hoe we dat Bouwmeesterschap structureel verder willen zetten. Wij willen mee rond tafel gaan zitten wat nu de beste oplossing kan zijn. Is dat in één persoon of in een college, daar spreken we ons vandaag niet over uit.”

 

Ruimtelijke kwaliteit

Peter Vermeulen van Vlaamse Vereniging voor Ruimte & Planning VPR pleit in eerste instantie voor het behoud van de absolute onafhankelijkheid van de Bouwmeester, maar is er ook voorstander van om de thematiek te verruimen naar ruimtelijke ordening. “Ook voor ruimtelijke ontwikkelingen is kwaliteit absoluut noodzakelijk”, stelt Vermeulen. “Als je ziet dat in Vlaanderen zes hectare per dag ingenomen wordt dan is het duidelijk dat een Bouwmeester (en zijn team) daar opnieuw mee moet tegen kunnen opwegen om te zorgen dat die zaken stoppen.”

Vermeulen hoopt dat er vanuit het Team Bouwmeester, daarin ondersteund door het departement Ruimtelijke Ordening iets kan ontstaan dat de verschillende bevoegdheden bij elkaar brengt. “Mobiliteit zit apart, huisvesting zit apart, stedenbeleid zit apart, en ruimtelijke ordening is ook weer iets apart. Als er een platform zou kunnen ontstaan om die verscheidene thema’s bij elkaar te brengen, dan lijkt mij dat best.”

Ruimtelijke Ordening zou volgens Peter Vermeulen duidelijk het kader moeten kunnen bieden, en benadrukt daarbij het belang van een integrale benadering, "zodat het kan gaan én over landschap én over infrastructuur én ruimtelijke ordening én architectuur.”

Een Bouwmeestercollege onder Ruimtelijke Ordening lijkt qua daadkracht te beperkt. Het NAV had wat dat betreft graag enige waarborgen gekregen. “Eén van de succesfactoren was de onafhankelijkheid van waaruit beslissingen konden worden genomen, van waaruit een visie kon worden ontwikkeld. De vraag is, door dat nu in een college te gieten, door het een plaats te geven dichter bij de administratie, of die onafhankelijkheid gewaarborgd kan worden. Dat zijn zaken waar we nog een antwoord op moeten krijgen”, aldus directeur van het NAV Kris Baetens.

De Vlaams Bouwmeester heeft zijn onafhankelijkheid te danken aan het feit dat hij horizontaal, los van alle ministeriële bevoegdheden, is ondergebracht, vertelt Leo van Broeck. De verhuis van de Bouwmeester van ambtenarenzaken naar het departement Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening, heeft volgens de voorzitter van FAB ook nadelen. Een intensere samenwerking met Ruimtelijke Ordening zou de ruimtelijke kwaliteit verbeteren, maar het gaat ook gepaard met een verlies aan onafhankelijkheid. “Ons ruimtegebruik is niet te vangen onder één ministeriële bevoegdheid. Er is mobiliteit, huisvesting, landbouw, stedenbouw, ruimtelijke ordening, en dat zijn allemaal andere bevoegdheden. Als we ons vastgelopen ruimtegebruik in Vlaanderen willen corrigeren zal dat nooit lukken vanuit slechts één ministeriële bevoegdheid.”

 

Depersonalisatie in Bouwmeestercollege

Leo van Broeck formuleert voorzichtig de hoop dat een depersonalisatie van het Bouwmeesterschap de kritiek vanwege het architectencorps kan ontkrachten en tot een sterker bouwmeesterschap kan leiden. “Ik ben voorzichtig optimistisch, voorzichtig pessimistisch”, zegt hij. “Als het veld voldoende reageert, zou het kunnen dat het kind niet met het badwater wordt weggegooid. En dan zou het kunnen dat de Bouwmeester niet ophoudt met bestaan, maar dat het minder persoonlijk is.”

Leo van Broeck heeft echter gemengde gevoelens over dat Bouwmeestercollege. “Als de critici gelijk hebben, en er werkelijk een te sterke persoonlijke nadruk zou zijn, dan zou zo’n officiële veelkoppigheid dat automatisch onmogelijk maken.” Maar hij is er niet van overtuigd dat er überhaupt een te sterke persoonlijke nadruk was. “Het is niet slecht om een paar jaar een beleid te hebben met bepaalde accent.” De evaluatie moet nog gemaakt worden, zodat alles wat goed is aan het ambt bewaard kan worden, aldus van Broeck.

Peter Vermeulen van de VRP is een voorstander van het Nederlands College van Rijksadviseurs. “Wat ik zelf interessant vind, is het Nederlands model”, vertelt hij. “Daar heeft men meerdere Bouwmeesters die elk over een aantal thema’s waken. Landschappen, infrastructuurwerken… (Alsook architectuur, stedenbouw, ruimtelijke ordening en cultureel erfgoed, n.v.d.r .) Je kunt er in principe niet tegen zijn, tegen het verruimen van het concept, zodat die verschillende accenten – Marcel Smets heeft zo bijvoorbeeld ruimtelijke planning naar voren gebracht – permanent aan de orde zijn. Verruiming is essentieel. Ten tweede is het ook ongelooflijke belangrijk dat het team een gezicht blijft hebben, een autonomie en een eigen zelfstandigheid waar het debat gevoerd kan worden.”

De verruiming mag dan wel een positieve evolutie zijn, maar of het een kwestie is van de Bouwmeester te depersonaliseren, is nog een heikel punt. Volgens Christoph Grafe heeft de Vlaams Bouwmeester zijn effectiviteit net te danken “aan de autoriteit van de verschillende Bouwmeesters, en de directe koppeling van verantwoordelijkheid aan de onafhankelijkheid.” Een college kan dat volgens de directeur van het VAi nooit vervangen. “De Vlaamse architectuur heeft in de drie periodes van de Bouwmeesters een enorme, niet te voorziene vooruitgang geboekt, die ook internationaal uniek is. Dit is met name door de instelling van de open oproepen, het beste systeem voor de selectie van architecten dat er in Europa bestaat. Al deze resultaten had een college nooit kunnen bereiken.”

 

Verantwoordelijkheid voor het algemeen nut

Christoph Grafe ziet geen heil in de ‘inkanteling’, en onderstreept het belang van de onafhankelijkheid van de Bouwmeester en zijn team. “De kwaliteit van de architectuur is niet los te zien van de ruimtelijke ordening, maar er onlosmakelijk mee verbonden. De recente discussie over de verstedelijking en het ruimtegebruik bewijst dit nog eens. Een goede en stevige dialoog met het departement Ruimtelijke Ordening is fundamenteel en moet in de toekomst versterkt worden.”

“Maar de Bouwmeester en het team kunnen de architecturale kwaliteit alleen goed bewaken als er voldoende afstand blijft en de verantwoordelijkheid voor het algemeen nut helder is”, stelt Grafe kritisch. “Een ‘inkanteling’ in de bestaande administratie is gevaarlijk omdat de effectiviteit van de kwaliteitsbewaking op het spel staat. Maar ook omdat het denken ‘out of the box’ en het anticiperen op uitdagingen, zoals b.v. voor nieuwe vormen van onderwijs of zorg, nu juist belangrijker is dan ooit.”

De huidig Vlaams Bouwmeester wist met de pilootprojecten zorg, wonen en productief landschap op prangende beleidsvraagstukken te anticiperen. Vanuit het architectencorps werden deze experimentele pilootprojecten met lof toegejuicht, precies omdat ze over de lange termijn nadachten – veel langer overigens dan een gemiddelde regeertermijn. Voor de kwaliteit van de leefomgeving zijn dergelijke onderbouwde adviezen onontbeerlijk, beklemtoont ook Christoph Grafe. “Er liggen nog zeer grote uitdagingen en een sterke instantie die instaat voor de kwaliteit van de architectuur zal zeker nodig blijven”, aldus Grafe.

Net als zijn voorgangers heeft huidig Vlaams Bouwmeester Peter Swinnen visie. Vanuit het architectencorps klonk het signaal dat Swinnen met meer open communicatie en meer betrokkenheid die visie een breder draagvlak binnen de beroepsgroep had kunnen verlenen. Ietwat argeloos gaf Architectura.be ruchtbaarheid aan die verzuchtingen. Maar het zou buitengewoon jammer zijn als, omwille van de kritiek op Peter Swinnen, de Bouwmeester als publiek ambt en als bezieler van het architectuurdebat in Vlaanderen, gekortwiekt wordt.

Een sterke, onafhankelijke Bouwmeester is zeker geen overbodige luxe. Integendeel, het is de uitgelezen manier om oplossingen te vinden voor de gedeelde leefomgeving, zoals Christoph Grafe zegt. “De Bouwmeester is een essentiële spil in het gesprek tussen opdrachtgevers en ontwerpers. Het team van de Vlaams Bouwmeester heeft dit over de jaren laten zien: goede architectuur komt tot stand door geduldig en krachtig te wijzen op de mogelijkheden van het ontwerp om de kwaliteit van onze leefomgeving te verbeteren, om slimmere en efficiëntere oplossingen te vinden”, aldus Grafe.