Doorzoek volledige site
03 september 2014

Zijn parket en vloerverwarming verenigbaar?

Plaatsing van een eiken tapijtparket op een onderparket. Illustratie | WTCB / CTSC
Hechtingsbreuk tussen de stijve lijm en de ondergrond door de te droge omgevingsvoorwaarden. Illustratie | WTCB / CSTC
De voegopening springt meer in het oog als er geen afschuining aanwezig is. Illustratie | WTCB / CSTC

Een extreme en snel veranderende relatieve vochtigheid en dito temperatuur hebben een negatieve invloed hebben op de houten vloerbedekking (bewegingen, vervorming, scheurvorming). Om deze fenomenen te beperken, is het aanbevolen om een gunstig binnenklimaat te waarborgen en dit zowel vóór, tijdens als na de plaatsing van het parket. Het WTCB toont hoe. 

In deze context wordt in de TV 218 'Houten vloerbedekkingen: plankenvloeren, parketten en houtfineervloeren' aanbevolen om de relatieve vochtigheid van de binnenlucht te begrenzen tot 30 à 60 % en bij voorkeur tot 40 à 55 % (de grenswaarden mogen slechts gedurende een beperkte duur optreden) en dit, voor een luchttemperatuur van ± 20 °C.


Het beheer en de instandhouding van een gunstig binnenklimaat zijn afhankelijk van meerdere factoren. Zo kan het gebruik van een verwarming of een ventilatiesysteem leiden tot een droger binnenklimaat in de woning. Om tijdens het stookseizoen een gunstig binnenklimaat in stand te houden, is het aanbevolen om de insteltemperatuur te begrenzen tot 20 à 22 °C en de ventilatiedebieten aan te passen aan de behoeften. In aanwezigheid van een vloerverwarming zou de oppervlaktetemperatuur van de houten vloerbedekking beperkt moeten blijven tot maximum 28 of 29 °C. Een verhoging van de insteltemperatuur kan aanleiding geven tot een aanzienlijke daling van de relatieve vochtigheid (< 30 %) en tot een toename van de vervormingen (schoteling, opening van de voegen), wat aan de grondslag kan liggen van onomkeerbare schade (onthechting, breuk van de ondergrond ...).

Als gevolg van haar werking brengt de vloerverwarming een temperatuur- en vooral ook vochtgradiënt in de houten vloerbedekking teweeg. Dit is ook de reden waarom de inwerkingstelling van een vloerverwarming – bij een equivalente relatieve vochtigheid in de ruimte – aanleiding geeft tot grotere bewegingen en vervormingen (dit geldt met name voor de schoteling en de opening van de voegen tussen de parketstroken). De desbetreffende toleranties uit de TV 218 kunnen in deze context aangewend worden om een oordeel te vellen over de aanvaardbaarheid van deze fenomenen. Zo wordt een voegopening en een schoteling die begrensd blijft tot 1 % van de breedte van de planken als aanvaardbaar beschouwd. Voor een plank van 15 cm breed stemt dit overeen met een voegopening en een schoteling van 1,5 mm.

De vochtgradiënt is vooral opvallend gedurende de eerste dagen na de jaarlijkse inwerkingtreding van de vloerverwarming. Uit WTCB-proeven is immers gebleken dat de vochtgradiënt en de hiermee gepaard gaande houtbewegingen die bij een stationair regime veroorzaakt worden door de vloerverwarming verwaarloosbaar zijn.

Om deze gradiënt te beperken, is het beter om een continu verwarmingsregime te voorzien dan een verwarming die regelmatig onderbroken wordt. Verder zou men er bij de jaarlijkse indienststelling op moeten toezien dat de watertemperatuur progressief verhoogd wordt.

We willen erop wijzen dat de verwarmingstechnicus en de parketlegger hieromtrent correct ingelicht moeten worden. Het is immers enkel op deze manier dat deze laatsten zullen kunnen komen tot een goed ontwerp en een doeltreffende installatie enerzijds en tot een geschikte parket-lijmcombinatie anderzijds.

Naast het beheer en de instandhouding van een gunstig binnenklimaat, kunnen er nog een aantal bijkomende aanbevelingen geformuleerd worden om de vervorming van de elementen van de houten vloerbedekking in aanwezigheid van een vloerverwarming zoveel mogelijk te beperken. Deze aanbevelingen worden toegelicht in de volgende paragrafen.

 

Lees dit artikel verder op de website van het WTCB

GERELATEERDE DOSSIERS