Doorzoek volledige site
03 oktober 2014 | FILIP CANFYN

RECENSIE - Nijmegen: designing the city bridge (Laurent Ney, Vantilt Publishers Nijmegen, 2014)

Voor de gelegenheid onderwerpt Filip Canfyn het nieuwe boek van Laurent Ney aan een recensie. Het werk toont de lezer een blik in zowel het hoofd van Ney als in zijn schetsboeken. Canfyn is alvast enthousiast: "Dit reisverhaal, dat vertelt over het hoe en waarom van een denk- en doeroute, is boeiend, verhelderend, mooi tout court."

"Soms, om niet te zeggen te vaak, kunnen we ons niet van de indruk ontdoen dat architecten en ingenieurs doen alsof ze met elkaar eigenlijk weinig te maken hebben. Ze gedragen zich dan een beetje als gescheiden Siamese tweelingen met fantoompijnen. Ze lopen gebukt, sinds ze het aards paradijs verlieten richting beschaving, onder de erfzonde, die het nodig vond voor het aloude begrip  ‘bouwkunst’ opeens twee woorden te bezigen: architectuur en bouwkunde.

En dan zien we met verwondering en vooral warmte de uitzonderingen, de bewijzen van het tegendeel, de symbiose van de antipoden. De toren van Gustave Eiffel in Parijs, louter met doorzichtig staal de stad totaal op de spits drijvend. Of de kathedraal van Pier Luigi Nervi in San Francisco, vleesgeworden structuur. Of het betonnen deken van Alvaro Siza Vieira voor het Portugees Paviljoen in Lissabon, soepele zwaartekracht.

 

Of de ontelbare elegante bruggen van René Greisch, de in 2000 overleden grootmeester van de vloeiende overspanning. Die laatste was ook de leermeester van ingenieur-architect Laurent Ney (°1964), die in 1998 zijn eigen studiebureau (vergeef me het woord!) opzette, vandaag goed voor 9 vennoten en 40 medewerkers met dikke adelbrieven en internationale uitstraling. Nog niet lang geleden werd zelfs een bijhuis in Tokio geopend. Ney & Partners definiëren hun core business als “structuren ontwerpen” maar voegen er terecht de adjectieven “grensverleggend”, “inspirerend” en “doeltreffend” aan toe.

Zonder Ney als uitvinder met beton, staal, hout en glas te kort te willen doen kunnen we stellen dat hij opereert in drie relevante gedaanten. Hij is een ontwerper pur sang, en dan denken we aan de Tweede Scheldebrug in Temse, de Collegebrug in Kortrijk en de zeildoekparaplu’s in Alden Biesen, waar hij telkens van begin tot einde het conceptueel en uitvoerend proces leidt. Hij is ook een ontwerpend ingenieur, en dan hebben we het over de kerkvormige Z-out-sculptuur van Gijs Van Vaerenbergh in Borgloon en de Kielse luifel van B-architecten in Antwerpen, waar hij telkens het denkwerk van de kunstenaar of architect inspireert en insemineert. Hij is tenslotte een raadgevend ingenieur, en dan verwijzen we naar de COOVI-keukentoren van Xaveer De Geyter Architects in Anderlecht en de Umicore-kantoren van Christine Conix in Hoboken, waar hij telkens klassiek optreedt als de bewaker van stabiliteit en draagkracht in alle betekenissen van het woord.

 

Laurent Ney heeft nu een soort dagboek in tekst en tekening geschreven over zijn concept- en bouwtraject voor ‘De Oversteek’, de nieuwe maxibrug over de Waal in Nijmegen, om, naar zijn zeggen, de wereld van architecten en ingenieurs een blik in zijn complex hoofd te gunnen. Dit ‘making of’-boek is inderdaad geen salontafelboek geworden. Het moét gelezen worden omdat louter prentjes kijken zonder woorden hier alle betekenis zou verliezen en niet omgekeerd.

Zeer interessant en letterlijk spannend zijn de eerste dertig bladzijden, extracten uit de ‘sketchbook’ van de ingenieur-architect, met tekeningen, berekeningen en notities in het Nederlands. Ney is niet echt een groot tekenaar maar wel een goede grafische verteller, die de essentie tweedimensionaal grijpt, met stift, zonder franje.

Zijn concept, een lange massieve aanloop en een hoge sterke boog over een vaargeul van 235 meter breed in de oudste stad van Nederland, wordt bijna per toeval uitgevoerd. Als Ney gevraagd wordt om in de begeleidingscommissie van de ontwerpwedstrijd te zetelen weigert hij deze eer om zelf te kunnen deelnemen. Met succes dus. Een tweede toeval zorgt voor een totale metamorfose van hetzelfde concept: de Duitse partner-staalproducent heeft de transportkosten onderschat en haakt af, niemand anders kan de geplande reusachtige staalcomponenten produceren en vervoeren, en Ney stapt over op beton als basismateriaal, biddend dat de risico’s voor timing en budget uitgeschakeld kunnen worden. Het verhaal, van analyse over concept naar bouw, wordt door de bijna-tovenaar zelf, laat dat duidelijk zijn, zeer onderhoudend uit de doeken gedaan.

De schitterende fotoreportage op het einde toont de ingetogen schoonheid en de klassevolle kracht van een lange tongewelvenbrug met een enorme stalen boog, die kalm rust op bijna verwaarloosbare voetjes, zodat de massale massiviteit ontspannen loskomt van aarde en water.

 

Dit reisverhaal, dat vertelt over het hoe en waarom van een denk- en doeroute, is boeiend, verhelderend, mooi tout court. Het is een ingenieursboek, dat ingenieurs zal bekoren maar dat ook architecten zal verleiden om de maturiteit en rijkdom van engineering op zijn best te leren kennen. Ney plaatst zich geruisloos op het niveau van Greisch, zonder een intentionele vadermoord maar met een onrechtstreekse leermeesterode.

Toch één kanttekening. Het boek is alleen uitgegeven in het Engels. Dit vergemakkelijkt het lezen niet. OK, Engels mag als basisvaardigheid verondersteld worden maar het onderwerp gebruikt niet altijd een vlotte woordenschat. Ik begrijp wel dat men hoopt op een internationale verspreiding, omdat uitgevers het vandaag lastig genoeg hebben om duizend moeilijke boeken in ons taalgebied verkocht te krijgen, maar waarom dan (ook) niet in het Frans? Of waarom niet simultaan in drie talen? In elk geval kan gevreesd worden dat de eerste klantenkring, de ingenieurs en architecten in Vlaanderen en Nederland, die Ney kennen of willen leren kennen, afhaken omdat ze bang zijn dat dit Engels boek niet voor hen bestemd is of niet voor lézers bestemd is.  Natuurlijk, het zal wel prijken in vele Europese museumwinkels en dat is ook wat waard, blijkbaar …"

GERELATEERDE DOSSIERS