Doorzoek volledige site
26 november 2014

Ondermetselen of onderschoeien van bestaande funderingen

Boven- en zijaanzicht van een beschoeide put (onderschoeien). Illustratie | WTCB / CSTC

De WTCB–werkgroep Beschoeiingen beëindigde onlangs de opstelling van twee nieuwe uitvoeringsfiches over het ondermetselen en het onderschoeien van bestaande funderingen. Deze werkgroep begeleidt een lopend prenormatief onderzoeksproject rond beschoeiings- en onderschoeiingstechnieken dat gesubsidieerd wordt door het NBN en de FOD Economie. Deze twee nieuwe fiches kaderen in de reeks uitvoeringsfiches over funderingstechnieken die het WTCB opstelde in samenwerking met de sector.

Toepassingsgebied en uitvoering

Twee mogelijke technieken voor het verdiepen van doorlopende funderingszolen of -platen zijn het ondermetselen of het onderschoeien door middel van beschoeide putten.

De verdieping van de bestaande fundering van een constructie kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn in de volgende situaties:

  • het bestaande gebouw wordt uitgebreid en het draagvermogen of de diepte van de bestaande fundering moet vergroot worden
  • er wordt een ondergrondse constructie opgetrokken naast de bestaande fundering. De funderingsverdieping moet de stabiliteit van de bestaande fundering tijdelijk en/of permanent garanderen. De verdiepte fundering doet tijdens de uitvoering van de naastliggende ondergrondse bouwwerken bovendien dienst als tijdelijke grondkering
  • het draagvermogen van de bestaande fundering is niet verzekerd volgens de normaal vereiste veiligheidsmarge (bv. bij historische gebouwen). In dit geval moet tijdens de werkzaamheden bijzondere aandacht besteed worden aan de stabiliteit van het bestaande gebouw.

Bij beide technieken worden onder de bestaande fundering relatief smalle grondstroken (doorgaans 1 m en soms tot 1,5 m breed) weggegraven. Aangezien de belasting die zich boven een uitgegraven strook bevindt via gewelfwerking moet overgedragen worden naar de naastgelegen zones, verloopt de uitvoering van de funderingsverdieping in verschillende fases.

Omdat er bij beide technieken manuele interventies plaatsvinden in de uitgegraven strook, is de techniek enkel toepasbaar indien het grondwaterpeil zich minstens 0,5 m onder het maximale uitgravingspeil bevindt – eventueel na bemaling – en de grond over een minimale tijdelijke cohesie beschikt.

Bij ondermetselen is de uitgravingsdiepte en dus de funderingsverdieping beperkt tot 1,20 m onder het aanzetpeil van de bestaande fundering. Onmiddellijk nadat de strook uitgegraven is, wordt er een nieuw funderingselement uit metselwerk opgetrokken tot tegen de bestaande fundering.

Bij onderschoeien wordt de uitgraving laagsgewijs uitgevoerd (per 40 cm) en wordt er systematisch een beschoeiing en schoring aangebracht over de volledige putomtrek (i.e. beschoeide put, zie afbeelding) waardoor de fundering meer verdiept kan worden (3 tot 6 m is courant, maar ook dieptes tot 15 m of meer zijn mogelijk). Nadat de strook tot op de gewenste diepte uitgegraven is, wordt er een nieuw funderingselement uit gewapend beton of staalvezelbeton gegoten dat aangewerkt wordt tot tegen de bestaande fundering.

 

Lees dit artikel verder op de website van het WTCB.