Doorzoek volledige site
03 december 2014 | KEVIN MOENS

Terugblik panelgesprek The Competition Antwerpen: deel 3

Illustratie | Stefan Eerlingen
Illustratie | Stefan Eerlingen

Op 6 november organiseerde Architectura.be de Belgische filmpremière van The Competition, in samenwerking met Eternit, Vandersanden Group, ROCKWOOL en Reynaers Aluminium. Na de vertoning gingen Peter Leroy, Bart Lens, Koen Van Bockstal, Wim Boydens en Johannes Robbrecht onder leiding van Kristiaan Borret in debat over de Belgische wedstrijdcultuur. In dit laatste deel komen aspecten zoals zelfregulering, solidariteit en de Open Oproep aan bod. 

Is de Open Oproep een goed systeem?

Robbrecht Daem: Ik denk dat de Open Oproep een zeer waardevol systeem is, maar staat of valt met een goede bouwheer. We hebben met Robbrecht en Daem Architecten enkele Open Oproepen gewonnen die niet uitgevoerd werden. Als er één ding moet veranderen - maar ik vrees dat het niet veranderbaar is - dan is het dat als een project wint, dat er ook een garantie op uitvoering moet zijn. De Open Oproep is een waardevol systeem omdat het een licht systeem is dat effectief tracht dossiers niet al te zwaar te maken. We doen ook wedstrijden die het tegenovergestelde zijn, die jaren duren, heel veel overleg vragen en enorme budgeten met zich meebrengen. Een DBFM- opdracht is op die manier buitensporig. Een DBFM is niet echt een wedstrijd, het is eerder een verkoop van een grond met een project. Dan moet je wel in detail gaan en leg je een project vast tijdens de wedstrijdfase.

Koen Van Bockstal:. Een DBFM is geen wedstrijd meer, eerder een aanbestedingsdossier. Het is natuurlijk wel nog altijd een vrije keuze of je daaraan wilt meedoen of niet. We kunnen heroïsch doen en solidair zitten wezen, maar niemand verplicht je om deel te nemen aan het circus. Vraag is alleen of het circus ietwat transparanter kan. Voor mij zouden een beperking in tijd, een dossierbeperking tot 20 pagina’s en het beperken van het aantal rondes redelijk eenvoudige maar toch effectie ingrepen zijn. Liever drie kandidaten dan zes, toch? Dat is gewoon kansberekening.

 

Is er sprake van solidariteit in de sector?

Koen Van Bockstal: Eigenlijk is een wedstrijd een uitnodiging om met een surfplank in zee te gaan. Je kan afspreken tot hoever je mag peddelen, maar als je in open zee een salto wil doen, is en blijft dat een gok. En dat vind ik het leuke aan wedstrijden: we willen allemaal deze of gene opdracht en we zijn daarvoor bereid net dat ietsje verder te gaan dan iemand anders. Iedereen zal dan ook willen pleiten voor het kaderen en het correct vergoeden van die bereidheid, maar laat ons alsjeblieft niet verzanden in een studiemeestermoraal waardoor iedereen juiste dezelfde stapjes moet zetten om samen de klas binnen te mogen. Dat is flauw. Als je in de reclamesector een pitch bedenkt, komt je met de mooiste beelden en de knapste grieten. That’s life.

Peter Leroy (ook aanwezig in Namen): Gisteren vroeg men aan Laurent Ney waarom hij deelnam aan wedstrijden. “Je moet toch biljetten kopen als je wil deelnemen aan de loterij,” antwoordde hij daarop. Als men wedstrijdarchitectuur gaat beschouwen als een loterij, zijn we echt niet goed bezig. Souto De Moura verwoordde het anders. Als je vijf kandidaten hebt die deelnemen aan een wedstrijd, dan hebben wij in onze ogen 1 kans op 5 om te winnen. Souto de Moura zag dat anders: “Je hebt 50 procent kans: ofwel win je, ofwel win je niet."

 

Heerst er zelfregulering binnen de architectuursector?

Peter Leroy: Dat is heel moeilijk. Er moet meer solidariteit zijn, daar pleit ik absoluut voor. Transparantie is een noodzaak. Het kan toch alleen maar interessant zijn als je tijdens een wedstrijdvoorstelling alle projectpresentaties kan volgen. Iedereen heeft er tijd en energie ingestoken, maar hoe hebben die andere bureaus het opgelost? Ik wil dat zien. Probeer dat maar eens rond te krijgen, dat alle deelnemende bureaus uit de eindronde akkoord gaan met dergelijke transparante presentatie. Bijna nooit. Spijtig. Leer van elkaar.

 

Bestaat er een alternatief voor de wedstrijd zoals wij ze kennen?

Wim Boydens: Dat is niet zo eenvoudig, maar ik ken voorbeelden, gaande van kleine tot grote projecten. BIj de Bouwmeester merk je al relatief beperkte opdrachtomschrijvingen met daarop volgend een soort van kandidatuurstellingen waarbij een conceptueel discours gehouden wordt. Puur op basis daarvan wordt er gekozen. Dat zijn niet altijd slechts keuzes, maar toch vraag je je af of de mensen ‘aan de andere kant van de tafel’ in staat zijn om dergelijke conceptuele projecten te beoordelen. De vraag is dan vooral: kan men dergelijke beknopte dossiers, al dan niet met voorkennis, beoordelen? Daarnaast moet je, wat je als bouwheer vraagt, vergoeden. En wat je vraagt, moet je goed kunnen beoordelen, zowel qua architectuur als qua techniek. Zorg dat je een jury hebt die aanvaard en gedragen wordt door het deelnemersveld.

Koen Van Bockstal: We hebben voor de Vooruit in Gent een hele fijne procedure voorgeschoteld gekregen. We moesten 10 beelden presenteren in een Powerpoint en die beelden moesten gaan over ons bureau en over onze visie op de stad Gent en onze visie op de Vooruit. Er werd ook expliciet vermeld dat er geen schets of iets dergelijks over de Vooruit mocht gemaakt worden. Dat was een fijn en snelle manier van werken. Toch blijft het moeilijk: als jurylid kies je voor een ontwerp terwijl je niet weet wat het bureau gaat ontwerpen. Kies je voor een houding? Een referentiekader? Daarom draag ik de traditionele presentatieonderdelen (plan, schets, snede, …) een warm hart toe. Een wedstrijd is daarnaast een studiemoment voor een bureau dat nog jarenlang rendeert. Helaas is de gretigheid waarmee men wil deelnemen aan wedstrijden het probleem van de wedstrijdcultuur. Men moet zich afvragen of men permanent wil deelnemen aan elke wedstrijd, zoals een varken dat de hele tijd truffels wil opgraven.