Doorzoek volledige site
12 januari 2015 | FILIP CANFYN

Steen&Been (column Filip Canfyn): De stad der opbouwers (1923) - Paul Van Ostaijen

Paul Van Ostaijen. Illustratie | www.letterkundigmuseum.nl
Filip Canfyn.

In zijn eerste column van 2015 parafraseert Filip Canfyn het verhaal De stad der opbouwers van de volgens hem onvolprezen Paul Van Ostaijen. "Ik situeer dit verhaal vooral in het licht van de huidige strijd tussen twee vrijblijvende denkstromingen, die beweren met de stad bezig te zijn maar vooral hun eigen agenda willen dienen, in casu, de virulente verdedigers van de stad enerzijds en de rabiate tegenstanders van de stad anderzijds."

(uit ‘VIJF GROTESKEN’, Stichting Voetnoot, 2010)

Iedereen kan onderstaand (door mij geparafraseerd en ingekort) verhaal van de onvolprezen Paul Van Ostaijen lezen, begrijpen en interpreteren zoals hij of zij zelf wil.

Dirk Leyman, de samensteller van de bundel met grotesken, ziet er een profetische waarschuwing in tegen de communistische eenheidsworst van vorige eeuw. Moet kunnen.

Ik situeer dit verhaal vooral in het licht van de huidige strijd tussen twee vrijblijvende denkstromingen, die beweren met de stad bezig te zijn maar vooral hun eigen agenda willen dienen, in casu, de virulente verdedigers van de stad enerzijds en de rabiate tegenstanders van de stad anderzijds. Ik situeer dit verhaal dan ook in het licht van de bijhorende bijna ziekelijke manipulatie van perceptie en visibiliteit.

De ongenuanceerde verdedigers van de stad focussen op nieuwbouw, op pilootprojecten, op de kansen voor verdichting en compactering, op de volgens hen  grote marktvraag, op de voordelen en ongebreidelde kansen van de pretstad, ... Zulke verdedigers worden ook architecten, burgemeesters en vastgoedontwikkelaars genoemd.

De hardvochtige vijanden van de stad focussen dan weer, om voor hen evidente redenen, op de onveiligheid, het vuilbakkarakter, de verkleuring, het failliet van  de sociale mix, de krakkemikkige woonkwaliteit, de druk van de demografische implosie, de overmatige dichtheid, … Zulke verdedigers tellen ook architecten, burgemeesters en projectontwikkelaars in hun rangen maar worden druk aangevuld met andere politici, verkavelaars en hun klanten.

Beide partijen kunnen het verhaal van Paul Van Ostaijen voor hun kar spannen en dus wordt hier de perceptie van het verhaal beïnvloed door de context, waarin en waarvoor het verhaal gelezen wordt.

Het is in elk geval een goed verhaal om een hopelijk voorspoedig en vrijmoedig 2015 in te kwispelen!

 

 

“Afbreken is gemakkelijk en iedereen kan afbreken, zelfs zonder vakkennis. Niet afbreken maar opbouwen, dat is wat anders! Alleen verstokte afbrekers kunnen de vreugde niet begrijpen, die in het voortdurende opbouwen ligt besloten.”

Op grond van deze beschouwingen besluiten de bestuurders van een stad fanatici van het opbouwen en dus noodgedwongen ook vijanden van het afbreken te worden om de stad haar vroegere grote luister terug te geven. De burgemeester vaardigt daartoe een verordening uit. Wie die overtreedt door af te breken riskeert een zware straf, zelfs de schandpaal. Wie bijdraagt aan de luister van de stad door op te bouwen krijgt een reusachtige premie.

De bewoners van de stad beamen de waarheid van de verordening en luisteren gehoorzaam naar het verhaal van de luister van de stad. Ze beginnen koortsachtig aan het opbouwen. Al snel heerst dan ook een vreselijk tekort aan vaklui. Jonge mannen uit de betere klassen worden architect, ingenieur of aannemer, arbeiders scholen zich om tot metser of timmerman. Al het spaargeld wordt in een gebouw belegd. Geen gouden sieraad, gezellige huisinrichting of volle linnenkast meer, neen, bouwen wordt de maatstaf en rijkdom wordt alleen afgemeten aan het aantal bouwwerken. Intussen moet het stadsbestuur in bakkers en slagers voorzien door galeiboeven in te zetten.

Waar eerst nut en noodzaak van een gebouw een belangrijke rol spelen wordt deze pragmatiek verlaten voor het louter plezier van het opbouwen. Er wordt zo ijverig gebouwd dat er na drie jaar veel te veel huizen, paleizen, kerken, zelfs asielen voor zwerfhonden zijn.

Een architect vindt zelfs een antwoord op het bezwaar van de nutteloosheid: hij stelt voor ‘abstracte gebouwen’ te maken, die naargelang de omstandigheden omgevormd kunnen worden tot magazijn of schouwburg.

Een eigenaar van een versleten huis wil dat kreng afbreken om op dezelfde (dure want schaarse) grond een nieuw huis op te trekken. De sloop is nog niet aangevat of eigenaar, architect en arbeiders worden opgepakt. Op het proces verklaart de eigenaar dat hij dacht dat een afbraak gewettigd is als een nieuw huis in de plaats van een oud huis gebouwd wordt. De rechter is onverbiddelijk: er is verordend dat afbreken gemakkelijk is en de stad onwaardig, daarom is elke motivatie voor afbraak a priori ongeldig. De eigenaar wordt veroordeeld tot twintig jaar opsluiting.

Hij moet eerst aan de schandpaal. Omdat zijn bewaker met zijn hoofd bij plannen voor een eigen ‘abstract gebouw’ zit en hem dus vergeet komt de eigenaar na veertien dagen van de pijnlijkste ontberingen om het leven.

De nood aan braakliggende gronden neemt snel toe. Het stadsbestuur beslist de openbare pleinen aan te pakken en burgers mogen oude gebouwen zo schragen dat deze de last van méér verdiepingen kunnen dragen. Spijtig genoeg wordt door deze tweede maatregel in de sterftestatistieken van de stad ‘ongeval’ de voornaamste doodsoorzaak.

Nu ook de pleinen volgebouwd worden steekt protest de kop op. De Antibouw-beweging verkondigt dat wonen in een stad, die herschapen wordt in een ongezond woud van huizen, geen pretje is en dat aan deze manie een einde moet komen. De leider van Antibouw wordt gearresteerd en beschuldigd van landverraad. Hij krijgt de doodstraf: hij moet in het openbaar geradbraakt worden om een voorbeeld te stellen.

De beul vraagt de rechter waar het rad moet komen. Die stelt de Grote Markt voor. De beul antwoordt dat alleen de naam van dat plein nog bestaat en dat er in gans de stad geen enkel plein meer kan gevonden worden.

Het radbraken moet dus verdaagd worden en Antibouw gaat in de tegenaanval. Ze beweren: “Hadden jullie de raad van onze leider gevolgd, dan hadden jullie nog een plein en konden jullie hem radbraken!” De volgende nacht wordt de leider uit de gevangenis bevrijd en ‘s morgens wordt hij aan het hoofd van de stad gezet.

“Wat wil het volk?” roept de leider vanop het balkon van het stadhuis. “Pleinen!” schreeuwt het volk terug.

De leider hoort nog een stem achter hem, die zegt: “Je zal geen tweede keer ontsnappen.” Het is de beul, die als beul onverbiddelijk moet blijven en nog even op een plein moet wachten om de straf van de leider uit te voeren.