Doorzoek volledige site
18 februari 2015

Het bouwdetail: een ware eisenbundel

Tegenwoordig is het aantal eisen dat opgelegd wordt aan onze gebouwen haast niet meer te overzien. Illustratie | WTCB
Tot voor kort moesten gebouwen slechts voldoen aan een beperkt aantal prestatie-eisen. Illustratie | http://www.wtcb.be/homepage/index.cfm?cat=publications&sub=bbri-contact&pag=Contact45&art=676

"Daar waar er tot voor kort enkel van onze gebouwen geëist werd dat ze stabiel en waterdicht moesten zijn, stellen we tegenwoordig vast dat ze moeten voldoen aan een hele reeks eisen die niet altijd even gemakkelijk onderling verenigbaar zijn," stelt het WTCB. "Dit geldt met name wanneer men de continuïteit van deze prestaties ter hoogte van de bouwdetails – d.w.z. aan de aansluiting tussen de verschillende elementen – dient te waarborgen."

1. Nieuwe uitdagingen, nieuwe eisen

Tot voor kort bleven de prestatie-eisen die opgelegd werden aan gebouwen beperkt tot eisen inzake de stabiliteit en waterdichtheid, die voor een periode van minstens 10 jaar gewaarborgd moesten zijn. 

De laatste jaren hebben er een aantal nieuwe prestatiecriteria hun intrede gedaan in de reglementeringen en de bestekken. Dit was nodig om een antwoord te kunnen bieden op de talrijke huidige milieugerelateerde, economische en maatschappelijke uitdagingen. Het is immers noodzakelijk om:

  • de ecologische impact van het bouw-, bewonings-, renovatie- en sloopproces te verminderen
  • te komen tot een dichtere bouwwijze teneinde te beantwoorden aan de demografische groei en dit, zonder afbreuk te doen aan het wooncomfort
  • de gebouwen niet alleen toegankelijker te maken voor personen met beperkte mobiliteit, maar tegelijkertijd ook inbraakveiliger
  • de gebouwen gedurende hun volledige levenscyclus te kunnen aanpassen aan de evolutie van de functionaliteiten
  • te voldoen aan de gewenste kwaliteits­eisen, met inbegrip van de eisen in verband met het uitzicht
  • de toegang tot de woningen te vergemakkelijken door de beschikbare oplossingen vanuit een technisch oogpunt te optimaliseren zonder dat de kosten hiervoor de pan uitrijzen.

Deze prestaties hebben niet alleen betrekking op het afgewerkte gebouw, maar eveneens op het bouw- of sloopproces en het gebruik en onderhoud ervan. Ze kunnen zowel voortvloeien uit de zeven fundamentele voorschriften uit de Europese Bouwproductenverordening (BPV), uit de wensen van de ontwerper als uit de technisch-economische overwegingen van het bouwbedrijf dat instaat voor de uitvoering van de werken.

De geformuleerde eisen hebben veelal te maken met:

  • de milieu-impact van het gebouw en de elementen waaruit het opgebouwd is
  • de globale energieprestatie, met inbegrip van de thermische isolatie en de luchtdichtheid
  • de veiligheid van het gebouw en de gebruikers: brandveiligheid – brandweerstand (draagvermogen), vlamdichtheid en thermische isolatie (de zogenoemde REI-criteria) –, inbraakveiligheid
  • het gebruikerscomfort (op visueel, thermisch en akoestisch vlak). De desbetreffende verwachtingen zijn onder meer afhankelijk van de uitgeoefende activiteit, de omgeving en/of de gevoeligheid van de bewoners
  • de hygiëne en gezondheid van de gebruikers. Dit kan een weerslag hebben op de gekozen materialen en het beheer van de lucht- en/of waterkwaliteit
  • de toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit
  • het uitzicht en de fabricage- en/of uitvoeringstoleranties
  • de uitvoeringssnelheid en het uitvoeringsgemak
  • de kostprijs voor de constructie, het gebruik en de sloop.

 

2. Hoe kan men de nieuwe eisen compatibel maken?

Indien men ze los van elkaar beschouwt, kan een groot deel van deze eisen gerespecteerd worden door gebruik te maken van een geschikte uitvoering en/of een goede materiaalkeuze. Om te komen tot een beter isolatiepeil ter hoogte van het dak, 'volstaat' het bijvoorbeeld om de isolatiedikte te verhogen en/of om te opteren voor een isolatiemateriaal met een lagere warmtegeleidbaarheid. Maar indien men de zolder tegelijkertijd ook wil omvormen tot een woonruimte, wordt de situatie een stuk complexer. Dit geldt met name wanneer de gebruiker grote glaspartijen wil installeren om maximaal te kunnen genieten van het uitzicht en het daglicht, of nog, wanneer de woning gelegen is in een zeer lawaaierige omgeving (bv. in de buurt van een luchthaven). Er moeten dus oplossingen gevonden worden om het gebruikerscomfort te handhaven, hetzij door het risico op oververhitting in de zomer te vermijden of door de geluidshinder van buitenaf te beperken.

Of deze 'nieuwe' criteria echt nieuw zijn, is echter maar de vraag. Een aantal ervan vormen immers al geruime tijd de grondslag voor het behalen van bepaalde basisprestaties. Eén van de beste voorbeelden hiervoor is misschien wel de luchtdichtheid. Dit thema wordt binnen het WTCB al sinds jaar en dag zeer hoog in het vaandel gedragen.

Zo spreekt het voor zich dat men voor een spouwmuur of het buitenschrijnwerk onmogelijk tot een goede waterdichtheid kan komen indien het beschouwde element niet luchtdicht is.

Dit geldt evenzeer voor de dakopbouw. Ook hier is de luchtdichtheid essentieel om het risico op lekken (convectie) – die aan de basis kunnen liggen van ernstige inwendige-condensatieproblemen – te beperken.

Ten slotte is de luchtdichtheid van een element of wand eveneens een noodzakelijke voorwaarde om het gebruikerscomfort te kunnen waarborgen. Bij een luchtdichte constructie zijn er immers geen koude luchtstromingen die de bewoners kunnen storen en zorgt de afwezigheid van luchtlekken tevens voor een betere luchtgeluidsisolatie.

 

3. Belang van de details op het niveau van het gebouw

Soms kan het moeilijk zijn om alle eisen met elkaar te verzoenen, temeer omdat het opgelegde eisenniveau voor elk ervan in stijgende lijn gaat. Deze moeilijkheid wordt nog groter als men weet dat de eisen niet louter van toepassing zijn op het bouwelement (bv. een wand, een schrijnwerkelement, een dak), maar eveneens op het gebouw in zijn geheel. De aandacht moet dus toegespitst worden op de aansluiting tussen voornoemde elementen, meer bepaald op de plaatsen waar de continuïteit van de prestaties gewaarborgd moet blijven, waar verschillende materialen en bouwsystemen die niet altijd compatibel zijn met elkaar in contact komen en waar verschillende bouwberoepen hetzij achtereenvolgens, hetzij quasi tegelijkertijd moeten ingrijpen.

De manier waarop men de continuïteit van de prestaties ter hoogte van deze details en aansluitingen dient te waarborgen, moet onderzocht worden vanaf de ontwerpfase. Het voor elk van deze criteria gewenste eisenniveau moet dan ook vastgelegd worden door de ontwerper. Omwille van technische en/of economische redenen is het soms immers onmogelijk om voor alle criteria het onderste uit de kan te halen. Dit is bovendien niet altijd opportuun, aangezien de bouwkosten hierdoor heel hoog zouden kunnen worden.

Het gaat hier dus om een taak die gewoonlijk weggelegd is voor de architect, maar waarover alle betrokken bouwberoepen vanaf het begin van de werken inspraak zouden moeten krijgen.

Op de bouwplaats staat de hoofdaannemer in voor de coördinatie van de werkzaamheden van de verschillende onderaannemers, zodat deze continuïteit ook bij de uitvoering verzekerd wordt.

De bouwprofessionelen hebben met andere woorden een groeiende nood aan referentiedetails waarbij rekening gehouden wordt met de verschillende prestatieniveaus en die de ontwerper en de aannemer kunnen helpen bij het ontwerp en de uitvoering van hun taken. Hoewel de detaillering vaak uniek is voor elk gebouw, kunnen in deze standaarddetails toch reeds een aantal principes en denkpistes aangereikt worden om de voorgeschreven eisen correct op elkaar te kunnen afstemmen. Omdat dit in de lijn ligt van zijn basisopdrachten, legt het WTCB zich dan ook al geruime tijd toe op de publicatie van dergelijke ontwerp- en uitvoeringsdetails. Denken we hierbij maar even aan deTV 244 'Aansluitingsdetails bij platte daken' en de TV 250 'Referentiedetails voor ingegraven constructies'.
 

 

Lees dit artikel verder op de website van het WTCB.