Stéphane Beel over het Roger Raveelmuseum: “Het is kijken naar heel eenvoudige zaken”
Op 28 juni heropent het Roger Raveelmuseum in Machelen-aan-de-Leie na een langdurige renovatie. Bezoekers krijgen er niet alleen een vernieuwde collectiepresentatie te zien, maar ook de Biënnale van de Schilderkunst, die dit jaar opnieuw verschillende locaties in de Leiestreek verbindt. De aandacht zal ongetwijfeld naar het werk van Roger Raveel gaan, maar ook het gebouw zelf verdient een hernieuwde blik. Meer dan een kwart eeuw na de opening geldt het museum van Stéphane Beel nog altijd als een van de meest opmerkelijke museumgebouwen van Vlaanderen.
Dat het museum er überhaupt kwam, was aanvankelijk allerminst vanzelfsprekend. Volgens dichter en kunstkenner Roland Jooris leefde eerst het idee om in de oude pastorie van Machelen een bescheiden museum onder te brengen met werk uit Raveels eigen collectie. Pas later ontstond het plan voor een volledig nieuw gebouw. Roger Raveel was bereid dat project financieel mee mogelijk te maken en wilde vooral dat het een hedendaags gebouw zou worden: een architectuur van zijn tijd, zonder nostalgische verwijzingen naar een geïdealiseerd verleden.
Gebouwd zoals het dorp gegroeid is
Voor het ontwerp werd Stéphane Beel aangesproken, toen een relatief jonge architect die al naam maakte met een heldere en contextgevoelige benadering. Beel begreep meteen dat de uitdaging niet lag in het ontwerpen van een opvallend museumobject, maar in het inpassen van een culturele instelling in een klein Leiedorp. Het museum moest aanwezig zijn zonder dominant te worden en een dialoog aangaan met zijn omgeving zonder die te verstoren. Precies daarin herkenden Raveel en zijn omgeving iets van de houding die ook uit zijn schilderijen sprak.
De sleutel vond Beel in de structuur van het dorp zelf. Tijdens zijn analyse viel hem op hoe de typische Vlaamse percelen zich diep uitstrekken tussen twee straten. Huizen, bijgebouwen, hokken en schuren vormen er samen een langgerekte opeenvolging van volumes. In plaats van een autonome museumvorm te bedenken, besloot hij één van die bestaande perceelsstructuren als uitgangspunt te nemen. Het museum werd als het ware een uitvergroting van een dorpskavel, inclusief de lichte knikken en verschuivingen die al in het weefsel aanwezig waren.