Coöperatief wonen en sociale huur op de Paterssite in Sint-Niklaas (BEEL Architecten)
De herontwikkeling van de Paterssite in Sint-Niklaas is een bijzonder praktijkvoorbeeld van hoe sociale woningbouw en een wooncoöperatie op één site kunnen samenkomen. Waar voorheen een eerder gesloten klooster en een kerk stonden, ontwierp BEEL Architecten een open weefsel waarin verschillende logica’s van eigendom en beheer elkaar ontmoeten. Sophie Deheegher, partner bij BEEL Architecten, blikt terug op een proces waarin de architectuur de brug moest slaan tussen de stad en de twee verschillende woonvormen.
Het project vertrok niet vanuit losse gebouwen, maar vanuit een visie op de site in z’n geheel. Door functies te herschikken, zoals de parochiezaal die naar de kerk verhuisde, kwam er ruimte vrij voor twee nieuwe woonblokken met een centrale tuin. Voor Sophie Deheegher was de integrale aanpak essentieel: "Het is een voordeel dat je de site in zijn totaliteit bekijkt. Je krijgt een globaal idee van wat de stad en de bewoners nodig hebben, en hoe je daar met de hele site een antwoord op kunt geven."
Wooncoop
Terwijl het ene blok bestemd werd voor sociale huisvesting, zocht de stad voor het andere blok naar een alternatieve invulling. Nadat ze verschillende pistes overwogen hadden, kwam Wooncoop in beeld. De coöperatie stapte in een ontwerp waarvan de contouren en principes al grotendeels vaststonden. Dit bood volgens Deheegher een belangrijk voordeel voor het proces: "Zij wisten perfect: dit is het gebouw, dit zijn de kosten en zoveel units krijgen we er erin. Dat zorgt voor duidelijkheid en minder conflicten, omdat je niet vanaf nul hoeft te discussiëren over elke optie."
De architecturale drager van de site is de passerelle rondom de centrale publieke tuin. Op de begane grond verbindt deze verhoogde loopbrug de kerk, de sociale woningen en het gebouw van Wooncoop met elkaar en met de stoep. Deze keuze is ingegeven door de wens om ontmoeting te faciliteren zonder dat het geforceerd aanvoelt. Zeker voor de wooncoöperatie was dat een belangrijk aspect binnen het ontwerp. "Die circulatie is belangrijk omdat ontmoeting spontaan gebeurt”, legt Deheegher uit. “Het behoort tot het dagdagelijkse, simpelweg door je door het gebouw te verplaatsen.”
Filter tussen publiek en privé
Het openstellen van de voormalige kloostertuin voor de stad bracht een uitdaging met zich mee: hoe bewaar je de geborgenheid van de bewoners? De architectuur lost dit op door met gradaties in toegankelijkheid te werken. De passerelle ligt veertig tot vijftig centimeter boven het straat- en tuinniveau, waardoor er een subtiele drempel ontstaat. "Dan voel je: ik kom in een iets ander gebied, ook al is het fysiek nog steeds toegankelijk vanaf de stoep."
Die logica wordt doorgetrokken tot in de woningen. De keukens grenzen rechtstreeks aan de passerelle en zijn voorzien van hoge ramen. Dit creëert een tussenruimte: bewoners kunnen naar buiten kijken en contact houden met de passage, maar de echte private ruimtes bevinden zich elders. In het ontwerp zijn de meer private delen, zoals de leefruimtes en slaapkamers, ofwel aan de rustige achterzijde gesitueerd, ofwel op een bovenverdieping binnen de unit. Zo heeft elke bewoner, ook binnen het coöperatieve model, een plek om zich echt terug te trekken en tot rust te komen.
Investeren in ruimte in plaats van in parking
Een fundamenteel verschil tussen een standaardproject en de aanpak van Wooncoop bleek uit de discussie over de parkeernorm. Waar de stad vasthield aan de klassieke regels voor de parkeergelegenheid die voorzien moet worden, weigerde de coöperatie te investeren in een dure ondergrondse parking. Zij kozen resoluut voor autodelen. De centrale ligging van de site in Sint-Niklaas en op 5’ wandelafstand van het station maakt het bovendien makkelijk om verplaatsingen te maken zonder wagen.
Voor Deheegher was dit een logische verschuiving van middelen: "Het is niet slim om geld uit te geven aan een ondergrondse parking waar eigenlijk niemand nood aan heeft. Dan kun je dat geld beter investeren in collectieve meerwaarde." Die meerwaarde vertaalde zich in royale gemeenschappelijke ruimtes: een grote gedeelde living, een wasbar en een ruime fietsenstalling. Er was ook plaats voor gevarieerde units binnen het gebouw, met duplexen voor gezinnen en een cohousing unit op de bovenste verdieping waar vier bewoners hun eigen slaap- en werkruimte hebben, maar een keuken en living delen.
Gescheiden beheer als praktische realiteit
Hoewel de passerelle de bewoners visueel en sociaal verbindt, blijven de gebouwen technisch en juridisch strikt gescheiden. Dit was een bewuste keuze, vooral gedreven door de beheersbaarheid voor de sociale huisvestingsmaatschappij. "Zij hebben geen behoefte aan gedeelde waterputten of zonnepanelen op elkaars dak”, aldus Deheegher. "Discussies over eigendomsrecht en onderhoud worden vermeden door simpelweg te stellen: dit is van ons en dat is van jullie."
Ondanks de doordachte architectuur blijft Sophie Deheegher nuchter over de impact ervan. "Goede architectuur zorgt voor de juiste omkadering. Je kunt die gradaties en samenhorigheid in een gebouw steken, maar dat is nog geen garantie dat het ook werkt in de praktijk." Voor haar is de architectuur de facilitator, maar is het uiteindelijk de bewonersgroep die met onderling respect en gedeelde inzet het project moet doen slagen. De Paterssite biedt alle middelen, maar het zijn de mensen die de coöperatieve visie dagelijks tot leven wekken.