De architecturale visie van ectv architecten voor de wooncoöperatie

  • image
  • image
  • image
  • image
  • image
  • image

Het ontwerpen van een wooncoöperatie vraagt om architecturale keuzes die wezenlijk verschillen van een klassieke verkaveling of appartementenbouw. Binnen het diverse portfolio van ectv architecten, het bureau van Els Claessens en Tania Vandenbussche, krijgt die specifieke benadering vorm in drie lopende projecten: De Pionier in Knokke-Heist, Moos°Herk in Sint-Lambrechts-Herk en Stek Future in Kessel-Lo. In een gesprek over deze ontwerpen legt Tania Vandenbussche uit hoe het bureau zoekt naar een architectuur die enerzijds de nodige privacy garandeert, maar er tegelijkertijd voor zorgt dat het gebouw actief contact maakt met de omliggende buurt.

De aanpak van het bureau verschilt per project, afhankelijk van hoe nauw de bewoners bij het proces betrokken zijn. "Bij de Wooncoop-projecten is er vaak al een bewonersgroep die het initiatief neemt, waardoor we in het traject ook overleg voeren om op hun maat te ontwerpen," vertelt Vandenbussche. "Bij De Pionier is dat anders; daar is de bewonersgroep nog niet bekend en werken we nauw samen met de gemeente als enige opdrachtgever." Deze verschillende contexten sturen het ontwerpproces, waarbij de architecten een evenwicht zoeken tussen de wensen van de eerste generatie gebruikers en de bruikbaarheid voor latere generaties. "We voelen ons verantwoordelijk om dat evenwicht te bewaken. We reiken keuzemogelijkheden aan, maar lijnen wel af wat kan beslist worden. Zodra je alle keuzes openlaat, is het moeilijk om  tot een coherent architecturaal geheel te komen dat voldoende generiek is."

Omgaan met de bestaande context

Een ander aspect waarin de projecten onderling verschillen, is de specifieke context en de schaal van de locaties. Waar De Pionier van een braakliggend terrein vertrekt en Moos°Herk aan een dorpsrand ligt, is Stek Future in Kessel-Lo een project in een centrumstraat waarbij een bestaand volume behouden en verbouwd wordt. Ook bij Moos°Herk worden bestaande, oude gebouwtjes achteraan op de site met minimale middelen hergebruikt als fietsenstalling en atelierruimte. "Als er iets te behouden is, zullen we dat met alle plezier doen," stelt Vandenbussche. "We vinden het zelf veel gemakkelijker om met meer context om te gaan dan met een braakliggend terrein, omdat het een extra houvast en een extra randvoorwaarde is waar je iets mee kunt doen."

Een centrale uitdaging bij grootschalige coöperatieve projecten zoals De Pionier is het vermijden van een 'gesloten enclave'. Volgens Vandenbussche is de relatie met de directe omgeving cruciaal. Bij het ontwerp is er bewust gekozen om de woningen voluit te oriënteren naar de omliggende straten. "Het wordt geen gesloten gemeenschap die op zichzelf is gericht en zich wegkeert van de straat. Het is voluit wonen aan de straat," stelt ze. Door de gebouwen zo te schikken dat er een actieve interactie ontstaat met het publieke domein, wordt sociaal isolement voorkomen. Ook het toevoegen van buurtgericht programma – zoals een strijkwinkel of een dorpspunt – transformeert een coöperatie van een privéwoonplek naar een schakel in het bredere weefsel van de buurt.

Contact met de straat en de tuin

Wat betreft de overgang tussen privé en gedeelde ruimte, vinden de architecten het bewaren van de juiste afstand belangrijk. Alle woningen zijn ontworpen als doorzonwoningen, waarbij de keuken of eethoek aan de straatzijde grenst, terwijl de zithoek zich richt naar de private of gemeenschappelijke buitenruimte. Deze doordachte opzet garandeert dat er leven zichtbaar is vanuit de publieke ruimte. "Als je alleen maar slaapkamers aan de straatkant plaatst, heb je een ‘slaapgevel’. Dat is heel kwalijk voor de levendigheid naar de straat" merkt Vandenbussche op. Aan de andere kant van de woning, waar de overgang naar de gemeenschappelijke tuin ligt, is die duidelijke grens minstens even belangrijk. Het helder definiëren van de private buitenruimte via inpandige terrassen of een porch zorgt er hier voor dat de eigen zone scherp afgebakend is, zodat bewoners niet geneigd zijn om gaandeweg de collectieve tuin te privatiseren.

De verschuivende oppervlaktenormen

In vergelijking met andere wooncoöperaties valt op dat er bij de projecten in Knokke-Heist en Sint-Lambrechts-Herk grotere oppervlaktes voor privéruimtes worden gehanteerd. Waar het bij veel andere coöperatieve initiatieven de traditie is om de private woonruimte net minimaal en zeer compact te houden, liggen de kaarten hier anders. Bij De Pionier is dat een heel expliciete, beleidsmatige keuze van de gemeente geweest. Zij stelden vanaf het begin dat het project geen cohousing is, waardoor er bewust voor werd gekozen om het collectieve programma wat kleiner te houden en prioritair in te zetten op grotere, kwalitatieve private wooneenheden.

Bij Moos°Herk speelde dan weer een andere dynamiek: daar legde de stad Hasselt de harde eis op dat alle woningen strikt moesten voldoen aan de oppervlaktenormen van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW). Hierdoor zijn de units ook in dit project wat groter uitgevallen dan wat binnen de coöperatieve sector gangbaar is. Hoewel de oppervlakte-insteek bij beide projecten dus een andere achtergrond kent, resulteert het in beide gevallen in een opvallend ruime opzet voor de private woonsfeer.

Duurzaamheid en de kracht van variatie

Een opvallend verschil met de klassieke markt is de focus op hoogwaardige materialen. Omdat de coöperatie eigenaar blijft van het gebouw en verantwoordelijk is voor het beheer, is een langetermijnvisie al ingebakken in de materiaalkeuze. Ook op technisch vlak biedt het model kansen: het is eenvoudiger om collectieve technieken, zoals een centrale warmtepomp, te integreren in een collectief beheerd gebouw dan bij individueel verkochte appartementen.

Daarnaast valt de grote variatie aan woningtypes op in de projecten van ectv architecten. "Het feit dat je veel variatie hebt in woningtypes, maakt dat je aan heel veel gezinssamenstellingen een antwoord kunt bieden," legt Vandenbussche uit. Deze diversiteit is essentieel om de sociale mix te realiseren die binnen wooncoöperaties zo belangrijk is. Bovendien biedt dit aanbod een grote troef op de lange termijn: wanneer de gezinssituatie of levensomstandigheden van bewoners veranderen, hoeven ze de coöperatie niet te verlaten. Ze kunnen intern verhuizen naar een ander woningtype dat op dat moment beter bij hen aansluit, indien er zo eentje vrijkomt. Dit vormt een scherp contrast met de klassieke markt, waar het aanbod vaak beperkt is tot de meest courante appartementstypes met een of twee slaapkamers.

Beleidsmatige drempels

Hoewel de interesse voor wooncoöperaties groeit, wijst Vandenbussche op de aanhoudende uitdagingen in het beleidskader. Vooral op het vlak van parkeernormen en stedenbouwkundige voorschriften stuiten coöperaties regelmatig op muren. Waar de werkelijke behoefte aan autostaanplaatsen in de praktijk vaak veel lager ligt door gedeelde mobiliteit, dwingen rigide lokale regels projecten soms nog tot zware en kostbare ingrepen. Zo was het bureau in een van de projecten genoodzaakt om een ondergrondse garage te bouwen om aan de voorschriften te voldoen. Vandenbussche ziet hier ook een taak voor de beleidsmakers: "Er is nog heel wat werk aan de winkel. Dat het leeft, merk je wel, maar het juridische en stedenbouwkundige kader is nog te vaak geënt op individueel eigendom."

  • Deel dit artikel

Onze partners