“Geen magie, maar patroonherkenning”: hoe AI het architectuurvak binnendringt

  • image

Op 6 mei vond in Gent de denkavond De Artificiële Architect plaats, een initiatief van UGent, studentenvereniging De Loeiende Koe, NAV en Bureau Bouwtechniek. Meer dan tweehonderd studenten, architecten en onderzoekers verzamelden er om te reflecteren over de impact van artificiële intelligentie op het architectuurvak. Niet alleen de technologische mogelijkheden stonden centraal, maar ook de vraag wat AI betekent voor auteurschap, verantwoordelijkheid en beroepsethiek. Moderator Peggy Totté (Architectuurwijzer) maakte dat bij de opening meteen duidelijk: “We zitten hier eigenlijk in het vak deontologie.” De avond moest geen demonstratie van technische spitsvondigheden worden, maar een debat over wat architecten met AI willen aanvangen — en vooral wat ze niet uit handen willen geven.

Peggy Totté plaatste de discussie bewust in een bredere context. Ze wees erop dat veel studenten zich vandaag afvragen hoe hun toekomstige beroep eruit zal zien in een tijdperk waarin beelden, teksten en zelfs ontwerpen steeds sneller gegenereerd kunnen worden. Tegelijk sprak uit haar introductie ook een zekere fascinatie voor de snelheid waarmee AI evolueert. Samen met professor Ruben Verstraeten behoort ze tot een generatie architecten die nog zonder smartphones of internet studeerde, maar zich vandaag geconfronteerd ziet met een nieuwe technologische omwenteling. “Ik dacht: ik moet misschien toch een paar dingen testen tegen vanavond”, vertelde ze lachend, nadat ze zich had voorbereid met een AI-gegenereerde podcast over de avond zelf.

Geen magie, maar patroonherkenning

Die technologische kant werd vervolgens uitgelegd door UGent-professor Ruben Verstraeten, die het publiek meenam “onder de motorkap” van generatieve AI. Daarbij probeerde hij het mysterieuze aura rond AI bewust te doorprikken. Volgens Verstraeten gaat het niet om een autonome creatieve intelligentie, maar om neurale netwerken die enorme hoeveelheden beelden en teksten analyseren en daaruit statistische verbanden leren herkennen. “Als je zo’n standaardmodel neemt en je vraagt: genereer eens een afbeelding, dan krijg je eerst poezen, honden en Japanse tekenfilmfiguren”, grapte hij. Pas door modellen te sturen via referentiebeelden, tekstprompts en LoRA-trainingen ontstaat er architecturaal relevante output.

Verstraeten toonde hoe die systemen architecturale patronen beginnen herkennen zonder dat die expliciet ingevoerd worden. In een experiment genereerde AI spontaan balkons, ramen en gevelopeningen, simpelweg omdat die verbanden voortdurend terugkeerden in de trainingsdata. “Dat zijn architecturale patronen die gewoon opduiken in het dagdagelijkse”, legde hij uit. AI blijkt daardoor minder een ontwerper dan een gigantische patroonmachine, gevoed door miljoenen beelden van gebouwen, steden en interieurs. Architectuur wordt zo herleid tot een netwerk van terugkerende relaties en associaties.

De architect als curator

Opvallend in Verstraetens presentatie was hoe sterk het menselijke aandeel in het proces toch aanwezig blijft. De experimenten die hij samen met studenten uitvoerde tijdens de summer school More than Chat draaiden niet om het automatisch genereren van ontwerpen, maar om controle. Welke input krijgt het meeste gewicht? Hoe stuur je een beeld bij? Wanneer grijp je in? In zulke AI-processen krijgt de architect volgens hem steeds meer de rol van curator. “Alle resultaten die je ziet, zijn pogingen om te onderzoeken hoe het resultaat gestuurd kan worden”, zei hij.

Die rolverschuiving werd tastbaar in de live demonstratie van student Felix Robaey, die tijdens de avond een ontwerp ontwikkelde voor een studeerhub op het Gentse Sint-Pietersplein. Op basis van AI-gegenereerde beelden bouwde hij stap voor stap een driedimensionaal model op, dat hij vervolgens verder verfijnde in Blender. Daarbij benadrukte hij voortdurend dat de architect keuzes blijft maken. “Ik wil altijd zoveel mogelijk controle houden over het effectieve ontwerp”, zei hij. AI genereert volgens hem vooral opties, terwijl de architect selecteert, interpreteert en bijstuurt.

Van render naar maakbaar model

De demonstratie maakte tegelijk duidelijk hoe snel de technologie evolueert. Waar AI enkele maanden geleden nog voornamelijk bruikbaar was voor sfeervolle renders, ontstaan vandaag steeds vaker bruikbare 3D-modellen en printbare maquettes. Robaey liet zien hoe hij gevelaanzichten, perspectieven en volumestudies kon combineren tot een coherent model dat vervolgens verder bewerkt kon worden in een virtuele omgeving. “De kloof tussen 2D-beeld en 3D en ruimtelijkheid is eigenlijk al overbrugd”, stelde hij. Zelfs ingrepen zoals vloerplaten, trapopeningen en circulatie konden via AI-gestuurde scripts in Blender snel aangepast worden.

Die versnelling roept tegelijk fundamentele vragen op over het ontwerpproces zelf. Volgens Robaey moeten zulke tools niet leiden tot oppervlakkiger ontwerpen, maar net tijd vrijmaken voor gesprekken, materiaalonderzoek en diepere reflectie over het project. “Je hoeft niet twee dagen te spenderen om de perfecte render te krijgen”, zei hij. “Je kan ondertussen nadenken over de rest van het gebouw.” Net daar ontstond tijdens de avond een interessant spanningsveld: gebruikt architectuur AI om sneller te produceren, of net om meer ruimte te creëren voor onderzoek en verdieping? Verstraeten suggereerde dat de technologie beide mogelijkheden tegelijk bevat.

Een vak in volle verschuiving

Het openingsluik van De Artificiële Architect maakte vooral duidelijk dat AI vandaag niet langer als een verre toekomsttechnologie beschouwd wordt. Wat enkele jaren geleden nog experimenteel leek, sijpelt nu razendsnel binnen in architectuuronderwijs en ontwerppraktijk. Tegelijk bleek uit de introducties van Totté en Verstraeten dat het debat veel verder reikt dan technologie alleen. Achter de fascinatie voor generatieve beelden en slimme modellen schuilt een fundamentelere vraag: welke plaats wil de architect nog innemen in een wereld waarin machines steeds meer creatieve arbeid kunnen simuleren?

Dat die vraag niet eenvoudig te beantwoorden valt, werd tijdens de avond eerder als een uitnodiging dan als een bedreiging geformuleerd. Zowel Verstraeten als Robaey benadrukten dat AI voorlopig vooral werkt als versterker van bestaande kennis, referenties en keuzes. De technologie kan duizenden varianten genereren, maar blijft afhankelijk van menselijke interpretatie. Misschien ligt precies daar vandaag de belangrijkste verschuiving voor het architectuurvak: niet in het verdwijnen van de architect, maar in het herdefiniëren van wat ontwerpen eigenlijk betekent.

  • Deel dit artikel

Onze partners