OPINIE. Trump kiest voor beeld zonder inhoud, Europa voor inhoud zonder beeld (Cente Van Hout)
‘Donald Trumps obsessie met monumentaliteit en bladgoud wordt vaak weggezet als kitscherige nostalgie. Maar zijn drang legt een ongemakkelijke tegenstelling bloot’, schrijft architect Cente Van Hout. ‘Terwijl Washington een monumentale facelift ondergaat, verschuilen de Europese instellingen zich in Brussel achter anonieme, inwisselbare gevels. Waar de een vervalt in leeg spektakel, kiest de ander voor onzichtbaarheid. In beide gevallen verliest de burger.’
In Washington volgen de aankondigingen elkaar in snel tempo op: een nieuwe ballroom, een presidentiële bibliotheek en de grootste triomfboog ter wereld. Onder de noemer “Making Federal Buildings Beautiful Again” wil Donald Trump de Amerikaanse staatsarchitectuur opnieuw herkenbaar en monumentaal maken.
Vanuit de architectuurwereld klinkt scherpe kritiek. Zo wordt het ontwerp van de balzaal in het Witte Huis gehekeld om zijn trappen die nergens naartoe leiden, zijn groteske schaal en het totale gebrek aan aandacht voor de publieke ruimte. Architectuur wordt hier gereduceerd tot decor: een opgeblazen representatie van macht.
Die verontwaardiging is volkomen terecht, maar vertrekt ook vanuit een comfortabele veronderstelling. Ze wekt de illusie dat het alternatief, de zogenaamd duurzame en maatschappelijk verantwoorde architectuur, wel probleemloos functioneert. Alsof het verlangen naar herkenbaarheid, dat Trump zo potsierlijk expliciet maakt, volledig uit de lucht komt vallen.
Trump grijpt terug naar een ouder repertoire. Naar een tijd waarin macht zich toonde: zichtbaar, gecentreerd en belichaamd in monumenten. Het Forum Romanum was daar een vroeg voorbeeld van. Geen democratie in moderne zin, maar architectuur speelde er wel een cruciale rol in de politieke cultuur. Ze gaf vorm aan een leesbare orde. Het was geen neutraal plein, maar een politiek theater waar triomfbogen en tempels de hiërarchie in steen beitelden. Ze bood ruimte aan debat, ingebed in de publieke ruimte zelf. Een plek voor publieke redevoering en politieke communicatie.
Natuurlijk had die openheid grenzen; macht werd er ook meedogenloos afgebakend en het debat bleef in handen van Romeinse burgers en elites, niet van de samenleving als geheel. In die zin is de parallel met Trump niet vergezocht. Ook hij bouwt niet voor de samenleving als geheel, maar voor zijn eigen achterban. Zijn gebouwen creëren geen inclusieve ruimte maar dicteren een uitgesproken positie.
Wie het tegendeel van Washingtons theatraliteit wil zien, moet in Brussel zijn. Omdat het Europese project 27 lidstaten moet verzoenen, is consensus er een bestaansvoorwaarde. Architecturale neutraliteit is in dat model veel meer een politieke overlevingsstrategie dan een esthetische voorkeur.
In de Europese wijk leidt die logica tot een volstrekt anonieme kantoorarchitectuur. Wat gebouwen er samenbindt is een abstract eisenpakket van duurzaamheid, inclusie en circulariteit, en geen gedeelde beeldtaal. Waar Trump schoonheid zoekt in een platte herhaling van het verleden, herleidt Europa, zelfs binnen het New European Bauhaus, een Europese ontwerp- en beleidsagenda, schoonheid tot een afvinklijst van maatschappelijke impact. Architectuur wordt er niet ontworpen, maar gevalideerd. Het is de ruimtelijke vertaling van wat Michel Foucault al beschreef: moderne macht toont zich niet meer via grootse symbolen, maar verschuilt zich in systemen, procedures en controle. We zijn zo geëvolueerd van monument naar meetinstrument.
Dat model heeft onmiskenbare verdiensten, maar de prijs is hoog: de architectuur verliest haar publieke resonantie. Europa claimt graag dat haar ware identiteit in het democratische proces zit. Maar als dat zo is, waarom krijgt dat proces dan nergens een fysieke vorm en blijft het steken in rapporten? De glazen koepel van de Reichstag in Berlijn bewijst nochtans dat het kan. Daar circuleren burgers letterlijk boven het parlement, waardoor het debat zichtbaar de ruimte krijgt. In Brussel gebeurt exact het omgekeerde. De macht wordt er gefilterd, afgeschermd en onleesbaar gemaakt.
Wie in Brussel bovenkomt aan het metrostation Schuman verwacht het kloppend hart van een wereldmacht. Wat zich aandient, is een verzameling gebouwen die weigert met de bezoeker te spreken. Hekken, slagbomen en beveiligingsposten bepalen er het ritme van de ruimte.
Het Berlaymontgebouw, het hoofdkwartier van de Europese Commissie en wellicht het machtigste gebouw van de Unie, rijst op als een gesloten metalen gordijn. Het kruisvormige grondplan is ontworpen voor interne efficiëntie, niet voor publieke leesbaarheid. De gevel, opgebouwd uit een dubbele huid van glas en lamellen, suggereert transparantie maar functioneert in de eerste plaats als een technisch systeem dat licht en warmte reguleert.
Hier geen façade die macht dramatiseert, geen ornament dat soevereiniteit verbeeldt, maar een gebouw dat zichzelf beheert. De architectuur is niet gericht op representatie, maar op performantie. Eerder een datacenter dan een monument. Een monument vraagt bewondering, een datacenter vraagt koeling.
De architectuur in de Europese wijk ligt mijlenver van het Forum Romanum. Ze mag dan ontdaan zijn van elke monumentaliteit, ze is er paradoxaal genoeg niet inclusiever of toegankelijker door geworden. Waar het Forum, ondanks al zijn machtsvertoon, de fysieke arena was voor het publieke debat, vormt de Schuman-wijk een afscherming ervan. Het is de ruimtelijke uitdrukking van een politiek project dat zich simpelweg niet meer durft te tonen.
In dat spanningsveld tekenen zich vandaag twee uitersten af: Trump kiest voor beeld zonder inhoud, Europa voor inhoud zonder beeld. De uitkomst is in beide gevallen identiek: de burger blijft op afstand, gedegradeerd tot toeschouwer van beslissingen die elders al zijn genomen.
De oplossing ligt niet in het herkauwen van triomfbogen, noch in het verder stollen van de democratie in technocratische procedures. Architectuur hoeft de macht niet op een voetstuk te plaatsen, maar ze mag haar ook niet langer wegmoffelen achter spiegelglas.
Als Europa werkelijk gelooft in het publieke debat, moet de Europese wijk stoppen met eruit te willen zien als een kantoorwijk. Het hart van onze democratie hoort een plek te zijn waar conflict, compromis en verschil zichtbaar mogen botsen. Dat vereist gebouwen die hun gevels openbreken voor de stad. We hebben geen behoefte aan nieuwe monumenten zoals een triomfboog zoals in Washington, maar aan een publieke ruimte die het politieke proces eindelijk weer leesbaar maakt.
Cente Van Hout is architect Publieke Gebouwen en laureaat van de Godecharleprijs voor Architectuur. Dit opiniestuk verscheen eerder op Knack.be.