INTERVIEW. Architectuur en interieur als één ontwerpverhaal (deel 1/2)
Een interieur staat nooit op zichzelf. De architectuur bepaalt de ruimte waarin het ontstaat, terwijl gebruik, materiaal en techniek mee richting geven aan de keuzes van de ontwerper. Zeker bij herbestemming wordt die wisselwerking zichtbaar: wat al aanwezig is, vormt geen neutraal decor, maar een actieve laag in het nieuwe ontwerp.
Aan de hand van drie stellingen onderzoeken Steven De Bondt van Rockfon, Elisabeth Lehouck van aNNo Architecten en Bert Bultereys van Tab Architects hoe architectuur en interieurarchitectuur elkaar beïnvloeden. De projecten Léon en Abby Kortrijk, beiden genomineerd voor de Architectura Awards, illustreren hoe gebruik en erfgoed niet zozeer beperkingen opleggen, maar juist aanleiding kunnen geven tot nieuwe ontwerpkeuzes.
Stelling 1: architectuur en interieurarchitectuur laten zich niet los van elkaar ontwerpen
Voor Bert Bultereys is die scheiding in de praktijk nauwelijks te maken. “Het verhaal dat wordt gebracht, hangt altijd samen. Architectuur en interieurarchitectuur versterken elkaar en elkaars concept.” De architect is voor hem dan ook een generalist, die verschillende schaalniveaus met elkaar verbindt: van stedenbouw en landschap tot exterieur, interieur, detaillering en signalisatie. “We proberen al die verschillende schalen samen te brengen in één werkend concept.”
Dat betekent ook dat het ontwerpproces niet netjes van buiten naar binnen verloopt. “Het is niet dat we eerst een buitenkant ontwerpen en dan gaan bekijken wat we vanbinnen doen. Zo werkt dat in onze praktijk niet.” Architectuur stuurt het interieur, maar evengoed kan onderzoek naar ruimtelijkheid, sfeer of materiaal opnieuw impact hebben op het exterieur.
Bij erfgoed is die verwevenheid nog explicieter, merkt Elisabeth Lehouck op. “We analyseren altijd eerst het bestaande gebouw voor we nieuwe ingrepen doen. Ruimtesequenties, plafonds, afwerkingen of lambriseringen zijn eigenlijk al een deel van je interieur. Daar moet je mee ontwerpen.”
Ook techniek moet op het juiste moment deel worden van dat proces. Voor akoestische oplossingen gebeurt dat vandaag soms nog te laat, ervaart Steven De Bondt. “In het meest extreme geval zijn we bijna op het einde en zegt men dan: oei, we moeten toch nog iets aan akoestiek doen. Dan is niet alles meer mogelijk.” Vroeger aftoetsen geeft meer ontwerpvrijheid en vermijdt dat oplossingen ten koste gaan van prijs, timing of esthetiek.
Tegelijk heeft het weinig zin om technische oplossingen vast te leggen voordat functie, ventilatie, verlichting of plafondopbouw duidelijk zijn. Het gaat dus niet zozeer om techniek zo vroeg mogelijk te betrekken, maar om ze op het juiste moment mee te laten ontwerpen.
Stelling 2: een geslaagd interieur begint niet bij materiaal of afwerking, maar bij de manier waarop een ruimte gebruikt wordt
Vanuit akoestisch oogpunt is het antwoord voor Steven duidelijk. “Elke ruimte heeft maar één akoestiek, dus je moet op voorhand goed beseffen waarvoor die ruimte gebruikt zal worden.” Een klaslokaal vraagt iets anders dan een restaurant, museum of concertomgeving. Vooral bij polyvalente ruimtes kan dat botsen: wat overdag goed werkt voor een school, is niet noodzakelijk geschikt voor een fanfare of muziekschool 's avonds.
Toch is gebruik maar één laag in het ontwerp. “Het functionele is uiteraard erg belangrijk, maar het is niet het enige uitgangspunt”, nuanceert Bert. “Het creëren van een bepaalde sfeer of ruimtelijkheid, of gewoon een mooie en aangename ruimte ontwerpen, vinden we ook belangrijk. Als je alleen vanuit het functionele ontwerpt, kun je een bepaalde gelaagdheid missen.”
Bij herbestemming komt daar nog een derde speler bij: het gebouw zelf. “Omdat wij zo gewend zijn om met bestaande gebouwen te werken, is het gebouw op zich al een vertrekpunt en inspiratiebron”, zegt Elisabeth. Soms betekent dat zelfs dat een deel van het programma niet past. Dat hoeft geen mislukking te zijn. Respect voor het gebouw betekent dan ook durven aanvaarden dat het programma zich moet aanpassen.
Léon toont hoe die zoektocht tot gerichte ingrepen kan leiden. Het voormalige commerciële gebouw kreeg een kantoorfunctie, maar de karakteristieke gevel met kleine raamopeningen riep vragen op over voldoende daglicht. Door strategische lichtschachten te integreren kon daarop een antwoord worden geboden zonder het karakter van het gebouw wezenlijk te veranderen.
Bij Abby werd net bewust niet voor één functie ontworpen. “We wilden een toevoeging ontwerpen die mogelijkheden in zich liet”, vertelt Bert. De ruimte doet vandaag dienst als restaurant en café, maar had evengoed een museumruimte of andere functie kunnen opnemen. “Ze ziet er niet specifiek uit als een café-restaurant, maar als iets dat past bij wat er al aanwezig is en verschillende functies kan dragen.”
Een geslaagd interieur ontstaat zo niet vanuit één dominant uitgangspunt, maar uit een evenwicht tussen gebruik, beleving en de mogelijkheden die de architectuur zelf biedt.
Stelling 3: bij herbestemming bepaalt het bestaande gebouw mee hoe het nieuwe interieur eruitziet?
Voor Elisabeth is het bestaande bij herbestemming veel meer dan een randvoorwaarde. “Er zijn zaken waarnaar je met een knipoog kunt refereren op een hedendaagse manier, of die je terugbrengt omdat ze waarde toevoegen aan de ruimte. Voor ons is dat net inspiratie om op verder te werken en continuïteit te creëren.”
Abby maakt die benadering tastbaar. In het dormitorium werd de beschermde rode terracottavloer een vertrekpunt voor het nieuwe paviljoen. Die vloer wordt er in een hedendaagse variant doorgetrokken, terwijl de warme rode tint ook terugkeert in de wand- en plafondbekleding. Zo ontstaat een materiële en visuele continuïteit waarin oud en nieuw in elkaar overvloeien. De geschiedenis duikt ook subtiel op in de inrichting: de lange tafel in het café verwijst naar het refectorium waar de kloosterlingen samen aten, terwijl de opstelling van de bar refereert aan de voormalige kloosterkeuken.
Maar verder bouwen op het bestaande kan ook betekenen dat je juist weinig toevoegt. In de zestiende-eeuwse kapel koos het ontwerpteam voor een lichtgrijze vloer, witte muren en een wit translucent gordijn. “We hebben bewust geen interieurelementen toegevoegd die aandacht vragen, om de ruimtelijkheid van de bestaande ruimte maximaal tot haar recht te laten komen”, aldus Bert.
Ook bij Léon werd de bestaande betonstructuur opnieuw zichtbaar gemaakt en als referentie gebruikt in de optopping voor nieuwe ingrepen in hout en staal. Voor Elisabeth vormt het bestaande zo een soort referentietaal waarop verder kan worden gebouwd zonder het bestaande uit te wissen.
Het bestaande gebouw wordt daarmee geen hindernis die een ontwerper moet overwinnen. “Het is een manier om zaken aan op te hangen en verder te werken. Om wat er bestaat samen met het nieuwe tot een sterk verhaal te maken”, besluit Bert.