DE PRAATSTOEL. Koen Schoukens & Carmine Van der Linden (MARCEL architecten)
Met MARCEL architecten zetten Koen Schoukens en Carmine Van der Linden volop in op persoonlijke architectuur met een maatschappelijke impact. Een recent voorbeeld hiervan is project DOOR in Gent, waar ze een warm en multifunctioneel dienstgebouw realiseerden voor de doortrekkersgemeenschap. Terwijl Koen focust op vakmanschap en technische precisie, brengt Carmine een sterke visie op duurzaamheid en circulair bouwen in de praktijk. Samen leiden ze een kleinschalig team dat met volledige aandacht en een persoonlijke aanpak aan projecten werkt. Wie of wat inspireert hen in hun dagelijkse praktijk? We legden het hen voor in onze Praatstoel.
Op welke eigen gerealiseerde projecten ben je het meest fier en waarom?
Carmine: We hebben de afgelopen jarenen twee projecten gerealiseerd voor mensen die heel dicht bij ons staan: “KAFI” (een tuinpaviljoen met zwembad) voor mijn ouders en “NECTAR” (verbouwing van een kruidenierszaak naar een eengezinswoning) voor een van mijn beste vrienden. Ontwerpen voor mensen uit je directe omgeving is tegelijk uitdagend en bijzonder waardevol. De persoonlijke betrokkenheid maakt het proces intenser, maar ook preciezer. Je wordt gedwongen om heel scherp te luisteren en te vertalen, waardoor het resultaat echt aanvoelt als een op maat gemaakt kostuum: afgestemd op hun manier van leven, met veel aandacht voor detail en nuance.
Koen: Het nieuwe collectieve dienstgebouw op een doortrekkersterrein nabij de Bourgoyen in Gent is zonder twijfel een van de projecten waar ik het meest trots op ben. Het was bovendien de eerste wedstrijd die we wonnen. Wat dit project voor mij zo bijzonder maakt, is dat het focust op een groep die vaak onder de radar blijft. We wilden niet alleen een sterk architecturaal ontwerp realiseren, maar ook een maatschappelijke laag toevoegen en een verhaal zichtbaar maken dat anders weinig ruimte krijgt. Dat architectuur, hoe bescheiden ook, mensen zich meer gezien kan laten voelen, raakt voor mij de essentie van het vak. Daarom blijft dit project voor mij zo betekenisvol.
Van welk project in uitvoering of in voorbereiding koester je hoge verwachtingen?
Carmine: Momenteel kijk ik erg uit naar zowel de herbestemming van het oude Dokhuis in het overstromingsgevoelige meersenlandschap in Geraardsbergen, als de verbouwing en uitbreiding van de jeugdlokalen van KSA Torhout. Beide projecten bevinden zich in de uitvoeringsfase. Wat deze projecten voor mij bijzonder maakt, is hoe sterk ze verbonden zijn met hun gebruikers en hun context. Ze bieden de kans om verder te gaan dan louter functioneel ontwerpen en plekken te creëren die ook een gevoel van identiteit en betrokkenheid versterken. Ik kijk ernaar uit om te zien hoe de ideeën die er vandaag liggen, zich vertalen naar een concreet resultaat dat zowel ruimtelijk als sociaal betekenisvol is.
Koen: Naast onze publieke projecten springen ook enkele particuliere trajecten eruit. Voor mij is dat onder meer project “AT27” in Sint-Lievens-Esse: de verbouwing van een oud werkatelier en toonzaal van een voormalige keukenbouwer, dat we omvormen tot ateliers voor een kunstenaar en zijn familie. Het kader, het programma en de wisselwerking met de opdrachtgever maken dit tot een bijzonder traject waar we nog volop in zitten en waar we echt uitkijken naar het eindresultaat. Daarnaast starten we binnenkort met de renovatie van een woning uit de jaren 30 in Jette, ontworpen door de Nederlandse architect Straatman. Daar kiezen we voor een eerder chirurgische aanpak, met gerichte en weloverwogen ingrepen die de woning, met respect voor de bestaande architectuur, aanpassen aan de noden van vandaag.
Welk project van een andere Belgische architect is voor jou een schot in de roos?
Carmine: Een project dat voor mij echt een schot in de roos is, is de Stadshal van Robbrecht en Daem architecten. Wat mij daarin vooral boeit, is hoe een architecturale ingreep zonder vast programma zelf programma kan genereren. Het gebouw wordt een open kader dat ruimte laat voor toe-eigening, gebruik en stedelijk leven. Het is geen object dat iets oplost, maar een structuur die mogelijkheden opent. Diezelfde verschuiving van object naar structuur herken ik ook in het ontwerp voor de VRT van Robbrecht en Daem en Dierendonckblancke architecten. Daar staat niet het gebouw op zich centraal, maar de manier waarop een complexe organisatie ruimtelijk wordt vertaald naar helderheid en samenhang. Het project ontwikkelt een gedeelde publieke structuur waarin een polyvalent binnenplein, park, theater en stedelijke ruimte in elkaar overvloeien. Architectuur vertrekt hier niet vanuit grenzen, maar vanuit gradaties van openheid en gebruik. Wat deze projecten verbindt, is een benadering waarbij het gebouw niet als object wordt gezien, maar als kader voor leven, gebruik en toe-eigening. Ze laten ruimte voor interpretatie, terwijl ze tegelijk zeer precies blijven in hun ruimtelijke opbouw. Het huis van Renaat Braem blijft daarnaast een belangrijke referentie, net als Ballet C de la B van De Vylder Vinck Taillieu en het werk van Wim Goes. Elk op hun manier tonen ze hoe architectuur tegelijk radicaal en alledaags kan zijn.
Koen: Als ik een project moet kiezen, dan is het “Clausura” in Herkenrode van Gijs Van Vaerenbergh. Het project maakt voelbaar wat verdwenen is, zonder te reconstrueren of nostalgisch te worden. Met een minimale ingreep ontstaat een grote ruimtelijke gelaagdheid. Wat mij vooral aanspreekt, is hoe het project architectuur, landschap en herinnering met elkaar verbindt. De plek wordt niet hersteld, maar opnieuw leesbaar gemaakt.
Welke buitenlandse architecten vormen voor jou een grote bron van inspiratie?
Carmine: Mijn inspiratie komt uit een mix van hedendaagse en historische praktijken, maar wat me vooral bindt, is een gedeelde houding tegenover architectuur. Bij praktijken zoals Utzon, Märkli, Sergison Bates en Marie-José Van Hee spreekt mij vooral de manier aan waarop zij vertrekken vanuit het alledaagse. Hun architectuur is nooit opzichtig, maar weet wel een sterke poëzie te ontwikkelen door de context, de leefwereld en de identiteit van een plek heel precies te vertalen. Tegelijk inspireren bureaus zoals Kim Lenschow, Pihlmann, BAST en Comte/Meuwly mij in hun manier van werken met materialen. Zij tonen dat architectuur niet afhankelijk hoeft te zijn van uitzonderlijke budgetten of materialen, maar dat net in het slimme en zorgvuldige gebruik van het standaard een grote kracht kan liggen. Die twee benaderingen samen, enerzijds het zoeken naar betekenis in het alledaagse, en anderzijds het intelligent omgaan met middelen, vormen voor mij een soort kompas in ons eigen werk.
Koen: Om er enkele te noemen: Amunt, Arno Brandlhuber, Bruther, Jespersen Nødtvedt, Lacaton & Vassal, Lütjens Padmanabhan, OEB, Piet Oudolf, Romano Tiedje, …
Wat zijn volgens jou de meest geslaagde recente bouwprojecten in het buitenland?
Carmine: Voor mij behoren de recente Zwitserse Genossenschaften tot de meest geslaagde bouwprojecten in het buitenland. Het gaat om coöperatieve woonprojecten die architectuur, sociale organisatie en betaalbaarheid op een bijzonder consequente manier samenbrengen. Wat ik daar sterk aan vind, is dat ze vertrekken vanuit een collectieve ambitie: kwalitatief wonen toegankelijk maken, zonder in te boeten op architectuur. In steden zoals Zürich en Bazel zie je hoe deze projecten niet alleen woningen produceren, maar ook echte leefomgevingen, met gedeelde ruimtes, sterke gemeenschapsvorming en een duidelijke relatie tot de stad. Architecturaal zijn ze vaak verrassend sober maar precies: heldere structuren, doordachte plattegronden en een intelligent gebruik van middelen. Ze tonen dat je met een collectief model en een duidelijke visie projecten kan realiseren die tegelijk sociaal, economisch en ruimtelijk duurzaam zijn.
Koen: De transformatie van “Thoravej 29” in Kopenhagen door Pihlmann Architects is me recent sterk bijgebleven. Wat het project bijzonder maakt, is de consequente manier waarop het bestaande gebouw wordt benaderd als een materiaalbank. In plaats van voortdurend toe te voegen, wordt maximaal gewerkt met wat al aanwezig is. Het resultaat toont hoe circulair denken niet alleen technisch relevant kan zijn, maar ook ruimtelijk en architecturaal sterk werk kan opleveren.
Welke jonge architect in Vlaanderen maakt momenteel veel indruk op jou?
Carmine: Voor een relatief kleine regio vind ik het opvallend hoeveel sterke jonge praktijken momenteel actief zijn in Vlaanderen. Bureaus zoals ACME, Macadam, Raamwerk, Veldhuis, Studio Lauka, Wissel Studio, ELMES, Saffir, Hé architecten en Erased maken elk op hun manier indruk. Wat ik inspirerend vind, is hun combinatie van bescheidenheid en scherpte. Ze werken vaak heel precies en doordacht, zonder veel ruis.
Koen: Aurélie Hachez, Bauclub, Élise Van Thuyne, Hans Maes, Jan Minne, Juliane Greb, LDSRa, Lisa Lu, OUEST, Pieters Faché, Plant en Houtgoed, VERS.A, …
Wat vind je zo boeiend aan jouw job als architect? Zou je jouw kinderen aanmoedigen om in jouw voetsporen te treden?
Carmine: Wat mij zo boeit aan architectuur, is de combinatie van denken en maken. Het is een vak waarin je voortdurend schakelt tussen ideeën en realiteit, tussen abstractie en concrete uitvoering. Ik ben ooit vrij naïef aan het beroep begonnen, vanuit het idee dat je via architectuur een klein beetje de wereld beter kan maken. Dat geloof is gebleven, al is het ondertussen genuanceerder geworden. Het is een intens beroep waarin veel tijd en energie kruipt, maar tegelijk geeft het enorm veel voldoening wanneer een project effectief gebruikt en beleefd wordt. Of ik mijn kinderen zou aanmoedigen om architect te worden, weet ik niet. Voor mij is het belangrijker dat ze hun eigen weg vinden en een kritische houding ontwikkelen tegenover de wereld. Ik ben er eigenlijk van overtuigd dat ik minstens evenveel van hen zal leren als omgekeerd.
Koen: Wat het werk zo boeiend maakt, zijn de ontmoetingen, het verdiepen in uiteenlopende programma’s en het realiseren van projecten zelf. Architectuur is tegelijk een job en een passie, en dat laat zich niet altijd rationeel verklaren. Of mijn zoon architect zou worden? Ik zou hem vooral aanmoedigen om zijn eigen pad te volgen, wat dat ook mag zijn, zolang het met overtuiging en passie gebeurt.
Welke ontmoeting is bepalend geweest voor jouw verdere architecturale ontplooiing?
Carmine: De meest bepalende ontmoetingen in mijn architecturale ontwikkeling waren zonder twijfel Alexander Dierendonck en Isabelle Blancke. Wat ik bij hen leerde, gaat verder dan ontwerptechniek alleen. Het gaat vooral over een manier van kijken: aandacht voor context, ruimtelijke logica en de precisie waarmee een idee wordt uitgewerkt. Hun consequente denkproces en discipline hebben mijn eigen manier van ontwerpen sterk beïnvloed.
Koen: Mijn interesse voor architectuur ontstond al in het middelbaar, mede dankzij mijn tekenleraar. Later waren de stagejaren bij Eugeen Liebaut bijzonder leerrijk, net als de periode bij Alexander Dierendonck en Isabelle Blancke. Ook de ontmoetingen en samenwerkingen met collega-architecten Joris De Greef en Carmine Van der Linden hebben mee richting gegeven aan mijn ontwikkeling, en blijven dat vandaag nog steeds doen.
Herken je jezelf nog in de ambitieuze jonge student die je ooit zelf was? Komen droom en werkelijkheid sterk overeen?
Carmine: Als ik terugkijk op mezelf als student, herken ik wel de ambitie en het idealisme, maar toen had ik eerlijk gezegd nog weinig concreet beeld van wat het beroep van architect echt inhield. De focus lag vooral op ontwerpen en creëren, zonder besef van de complexiteit die er in de praktijk bij komt kijken. Vandaag weet ik dat architectuur veel breder is: overleg, processen, regelgeving, budgetten en verantwoordelijkheid maken er onlosmakelijk deel van uit. Toch is de ambitie om via architectuur een betekenisvolle bijdrage te leveren dezelfde gebleven; alleen is die vandaag realistischer en meer genuanceerd. Wat ik nu vooral merk, is dat de schoonheid van het vak net zit in die complexiteit. Het is minder romantisch dan ik als student dacht, maar tegelijk ook rijker en gelaagder.
Koen: Als ik terugkijk naar mijn studentenjaren en mijn huidige praktijk, besef ik hoeveel ik nadien nog heb bijgeleerd. De opleiding vormde een belangrijk fundament, maar het zijn vooral de ontmoetingen met andere architecten, opdrachtgevers en vakmensen die mijn kijk op architectuur hebben verdiept en bijgestuurd. Ook vandaag blijft die visie in evolutie. We worden ons steeds bewuster van wat architectuur kan en moet zijn: ecologisch, zelfredzaam, gericht op hergebruik, duurzaam en in staat om mee te transformeren doorheen verschillende levensfases.
FAIT DIVERS
Welke job zou je nu uitoefenen als je geen architect was?
Carmine: Grafisch ontwerper of het openhouden van een wijnbar.
Koen: Biolandbouwer
Waar heb je jouw architectuuropleiding gevolgd?
Carmine: Sint-Lucas Gent, KU Leuven
Koen: Sint-Lucas Gent
Bij wie heb je stage gelopen?
Carmine: Dierendonckblancke architecten, Lilin architekten Zürich
Koen: Eugeen Liebaut
Wat was de titel van jouw eindwerk?
Carmine: ‘Rethinking the Fly-over’
Koen: Bezoekerscentrum binnen het paleis van Diocletianus in Split, Kroatië.
Favoriet architectuurboek:
Carmine: Landmarks - The Modern House in Denmark - Michael Sheridan
Koen: Geen uitgesproken favoriet.
Favoriet ander boek:
Carmine: Grand Hotel Europa
Koen: Momenteel vooral voorleesboeken van mijn zoon, zoals De bril van Beer (Leo Timmers) en werk met illustraties van Carl Cneut, Gerda Dendooven, Marjolein Pottie, …
Favoriete film:
Carmine: La Grande Bellezza - Paolo Sorrentino
Koen: La vita è bella - Roberto Benigni
Favoriet tv-programma:
Carmine: Friends
Koen: Wij hebben geen tv.
Favoriete muziek:
Carmine: Kanye West (Ye), Khruangbin, Smalltown Boy, Salt-N-Pepa, Labi Siffre, The XX, Alt-J
Koen: Jazz en klassieke muziek.
Heb je veel vrije tijd en hoe breng je die het liefst door?
Carmine: Ik drink elke ochtend een koffietje bij mijn favoriete koffiebar Koffeine om de dag goed te beginnen. Verder vind ik het belangrijk om veel tijd met onze zoon, vrienden of familie door te brengen.
Koen: In de natuur of de tuin, liefst samen met gezin, familie of vrienden.
Favoriete Belgische stad:
Carmine: Ik zou elke dag naar Brussel kunnen gaan, maar Gent is de stad waar ik ‘thuis’ ben.
Koen: Brussel
Favoriete Europese stad:
Carmine: Rome of Milaan
Koen: Parijs
In welk land zou je het liefst geboren en opgegroeid zijn?
Carmine: Ik heb het geluk gehad om deels op te groeien in Italië, dus dat voelt voor mij al als een belangrijke en vormende plek.
Koen: Ik ben gelukkig in België.
Actief of passief sportbeoefenaar? Welke sport?
Carmine: Eerder passief, al probeer ik actief te blijven en haal ik veel uit yoga wanneer het lukt.
Koen: Recent weer gestart met fitness en in het weekend zwemmen met mijn zoon.
Favoriete architectuursite?
Carmine: Ofhouses, Forgotten architecture, Techné, Atlas of architecture…
Koen: Instagram
Favoriete andere website?
Carmine: VRT NWS en Immoweb
Koen: Instagram