KRITISCHE MASSA. BouwBoost: gas geven… maar met welke remmen? (Edith Wouters)

  • image

Plots is hij daar: de BouwBoost. Minister Brouns presenteert hem als dé manier om eindelijk vaart te maken met ruimtelijke projecten, zonder dat de kwaliteit overboord gaat. Sneller bouwen, beter bouwen, betaalbaar wonen én de open ruimte sparen. Wie kan daar tegen zijn? Alleen: wie al wat langer meedraait in het ruimtelijk debat, weet dat wondermiddelen meestal vooral goed klinken op papier.

De timing is alleszins geen toeval. Het aantal vergunningen voor woningbouw zit op een historisch dieptepunt, terwijl de nood aan betaalbare woningen met de dag zichtbaarder wordt. De diagnose luidt dan steevast: we moeten sneller bouwen. Alsof snelheid op zich het probleem oplost. Alsof meer kranen automatisch betere plekken opleveren.

De frustratie in de bouwsector is begrijpelijk. Vergunningstrajecten zijn traag, complex en onvoorspelbaar. Architecten en ontwikkelaars verliezen maanden, soms jaren, in procedures waarvan de uitkomst onzeker blijft. De BouwBoost belooft beterschap: via bouwshiftconvenanten maken Vlaanderen, lokale besturen en eigenaars bindende afspraken over timing, procedure én kwaliteit. Projecten met een maatschappelijk nut – lees: betaalbaar wonen – krijgen een voorrangsbaan. Minder administratie, fiscale stimuli, een tijdelijke opschorting van de leegstandtaks. Alsof we zo plots in de fast lane van de ruimtelijke ordening belanden.

Maar hier wringt het schoentje. Want waar snelheid wordt beloond, dreigt kwaliteit vaak te worden gereduceerd tot een afvinklijstje. Zeker nu ook andere beleidsbeslissingen, zoals het Bindend Sociaal Objectief, de druk op volume en tempo verder opdrijven. De vraag is niet of we sneller kunnen bouwen, maar of we sneller kunnen bouwen zonder opnieuw dezelfde fouten te maken: verkavelingen die de open ruimte versnipperen, projecten die losgezongen zijn van hun context, woonvolumes waar de auto meer plaats krijgt dan de mens.

In theorie vertrekt de BouwBoost van de juiste principes: minder verspreid bouwen, meer hergebruik, verdichting en herontwikkeling binnen bestaand bebouwd gebied. In de praktijk worden die projecten net complexer, duurder en conflictgevoeliger. Bouwkosten stijgen, participatie wordt (terecht) verwacht, de technische en ecologische uitdagingen stapelen zich op. Snelheid is dan geen vanzelfsprekende bondgenoot.

Wie al eens aan tafel zat in een kwaliteitskamer weet: kwaliteit laat zich niet afdwingen met een stopwatch. Ze ontstaat uit dialoog, kennis en tijd op het juiste moment. Mijn ervaring met kwaliteitsdialogen – in kwaliteitskamers en tijdens werksessies in tientallen Vlaamse gemeenten – leert dat alles begint bij een goede start. Begrijp de plek vóór je haar begint te tekenen. De genius loci is geen romantisch detail, maar een harde randvoorwaarde. Bestaande gebouwen, landschappelijke structuren, biodiversiteit en kansen voor groenblauwe netwerken horen niet op het einde van het proces, maar aan het begin.

Niet elk project moet groots zijn om betekenisvol te zijn. Vaak schuilt de echte meerwaarde net in het zorgvuldig hergebruiken en inpassen van wat er al is. Ook vele kleintjes maken een groot. Maar dan moeten de ambities helder zijn én bewaakt blijven: klimaatrobuustheid, gedeelde ruimte, kwalitatieve publieke plekken, een woonlandschap dat meer is dan een optelsom van kavels. Mobiliteit en parkeren zijn daarbij de lakmoesproef: zodra zij het ontwerp dicteren, verdwijnt de ruimtelijke kwaliteit als sneeuw voor de zon.

Cruciaal is ook wie er van bij de start aan tafel zit. Bij grotere projecten loont een multidisciplinair ontwerpteam, met eerst stedenbouwkundige en landschappelijke expertise en pas daarna architectuur. Dat kost tijd aan het begin, maar wint tijd – en kwaliteit – in latere fases.

En dan is er nog de pijnlijke realiteit van onze omgevingsdiensten. Onderbemand, overbelast en vaak afhankelijk van externe consultants. Dat is nefast voor continuïteit en langetermijnvisie. Het beroep van omgevingsambtenaar verdient dringend herwaardering. Instrumenten zoals een kwaliteitskamer of een dorpsbouwmeester, met een consistente visie over bestuursperiodes heen, zijn geen luxe maar vaak een noodzaak.

Tot slot: zonder buurt geen project. Wie participatie herleidt tot een verplicht nummertje op het einde van het traject, oogst gegarandeerd weerstand. Vroeg, transparant en oprecht overleg kan veel tijd besparen – paradoxaal genoeg net door niet te haasten.

Snellere procedures vragen geen korter, maar een beter voortraject. Kwaliteit, vertrouwen en duidelijkheid zijn de echte versnellers. Alleen dan kan de BouwBoost meer zijn dan een gaspedaal, en uitgroeien tot een hefboom voor duurzame ruimtelijke kwaliteit.

Tout seul on va toujours plus vite. Ensemble on va beaucoup plus loin.

Edith Wouters is ir. architect en artistiek coördinator van het platform voor architectuur en ruimte AR-TUR.

  • Deel dit artikel

Onze partners