Marc Dubois: 'Met Kroll verliest België opnieuw een persoonlijkheid met grote internationale uitstraling'

Architect Lucien Kroll is op 95-jarige leeftijd overleden. Na Charles Vandenhove (1927-2019) verliest België opnieuw een persoonlijkheid met grote internationale uitstraling. Beiden studeerden samen aan La Cambre en werkten korte periode samen. Vlug sloegen beiden een compleet andere weg in en werd Kroll omschreven als “een pionier van participatie- en duurzame architectuur”.

Als reactie op een strak modernisme ontwikkelde Kroll een eigen vormentaal en visie op architectuur. Een wooncomplex in Oudergem (1962-1965), waar hij gedurende zijn gehele leven woonde en werkte, heeft nog steeds een actuele dimensie, compact wonen met een hoge woonkwaliteit. Het oecumenisch centrum in Chevetogne (1963) is een gebouw met een ongewone volumetrie en een diversiteit aan ramen.

Toen de Universiteit van Leuven werd opgesplitst en de Franstaligen verhuisden naar Louvain-la-Neuve werd beslist hun Faculteit Geneeskunde uit te bouwen nabij Brussel, in Sint-Lambrechts-Woluwe. Kroll kreeg de opdracht voor een complex met studentenhuisvesting met mensa La Mémé (1968-1972), architect Henri Montois bouwde het ziekenhuis. Grotere tegenstellingen zijn nauwelijks te bedenken. De lompe rechthoekige doos van het hospitaal staat naast een complex waarbij de verschijning een patchwork is met een veelheid aan materialen en raamopeningen. Ook de omgeving van La Mémé trok de aandacht, een creatie van Louis Le Roy, een niet conventionele aanleg waar de natuur haar vrije gang kon gaan. Aansluitend bij dit complex ontwierp hij het metro-eindstation station Alma (1978) samen met zijn echtgenote Simone en dit kan men zien als een eerbetoon aan de Catalaanse architect Antonio Gaudi.

Iedereen die deze campus bezocht was onder de indruk van het ensemble. Het is een mijlpaal in de Belgische architectuur met een internationale uitstraling en waardering.  In 1977 verschijnt het legendarisch boek van Charles Jencks “The language of post-modern architecture”. In het laatste hoofdstuk “Post-Modern Architecture” introduceert hij Antonio Gaudi als voorbeeld maar ook het werk van Lucien Kroll met zijn La Mémé. Jencks omschrijft dit complex als een ad hoc building. Ook de rol van de architect moest volgens Kroll anders, hij werd de bemiddelaar en niet de persoon die alles oplegde aan de toekomstige bewoners. Jencks formuleerde het als volgt: “Kroll’s orchestration even went so far as allowing the builders a certain improvisation while constructing”.

Één van de interessantste analyses van La Mémé schreef Francis Strauven in 1976 in het tijdschrift Wonen / TABK. Zeer uitvoerig beschrijft hij het ontstaan van de campus en de gekozen opties van Kroll. Bij Kroll staat de betrokkenheid van de bewoners centraal, participatie is het sleutelwoord. Zijn ambitie was het creëren van een niet-autoritair gestructureerd milieu.

Maar hoe brengt men dit tot uiting in architectuur? Vooreerst door een andere planopbouw, wel vertrekkend van een streng rastersysteem. Vooral door een compleet andere benadering van de gevelcompositie en door gebruik te maken van een gediversifieerd materiaalgebruik “pour donner un visage pluraliste à l’ensemble”. Vanaf het begin waren er zowel voor- als tegenstanders van Kroll’s werkwijze. La Mémé werd omschreven als de uitdrukking van een nieuwe, bevrijdende architectuur die eindelijk halt toeriep aan de “onmenselijke” evolutie van de moderne architectuur, anderen zagen dit gebouw als “een ruïne in aanbouw”. Voor veel niet-architecten, die geen weet hadden hoe La Mémé tot stand is gekomen, was de verschijning een vorm van bric-à-brac constructie, een gebouw opgetrokken na een uitverkoop van een brico-zaak. Dat deze bouwwijze resulteerde in erg complexe detaillering met als gevolg een veel vluggere degradatie van de bouwfysische toestand lag voor de hand. Opgetrokken juist voor de energiecrisis van 1973 resulteerde dit in grote bouwtechnische problemen.

Veel projecten heeft Kroll niet meer gekregen in België, wel in Nederland, Duitsland en vooral Frankrijk. Men zag in hem de ontwerper bij uitstek om zielloze banlieu’s te reanimeren door de bewoners te laten participeren en hen ook het recht te geven om te kiezen inzake vormgeving. Bouwen is een groepsproject maar men kan zich de vraag stellen of de volgende bewoners deze keuze van de vorige generatie wel zullen waarderen. Ontloopt de architect niet zijn opdracht en dit in naam van democratische besluitvorming?

Alhoewel haar naam vaak achterwege werd gelaten wisten velen dat zijn vrouw Simone een cruciale bijdrage leverde in de ontwikkeling van het oeuvre. In 2016 bracht BOZAR een retrospectieve van het Atelier d' Architecture Simone et Lucien Kroll. In december 2021 ontving de architect samen met zijn vrouw Simone Kroll nog de Lifetime Achievement Award van de Brussels Architecture Prize. Kroll was een begenadigd spreker en geloofde in een nieuwe, bevrijdende architectuur. La Mémé blijft een fascinerend tijdsdocument zoals Centre Pompidou in Parijs. Een gebouw als spiegel van een maatschappelijke vraagstelling.

Marc Dubois

Deel dit artikel:

Onze partners

GAimage