KRITISCHE MASSA. Mag architectuur nog koppig zijn? (Cente Van Hout)

  • image
  • image

In hedendaagse projectbeschrijvingen klinkt een opmerkelijke eensgezindheid. Gebouwen moeten flexibel zijn. Robuust. Open. Aanpasbaar. Demonteerbaar. Toekomstbestendig. Liefst ook circulair, inclusief, klimaatadaptief en genereus.

Geen muren, maar “generieke plateaus”. Geen kamers, maar “absorberende structuren”. Geen uitgesproken programma, maar “ruimte voor het onvoorspelbare leven”.

Het architectuurdiscours klinkt steeds vaker als een bevrijdingstheologie waarin de architect zichzelf heldhaftig wegcijfert. Wij leggen niets op. Wij dicteren niet. Wij maken slechts mogelijk. Bescheidenheid als deugd. De open plattegrond als democratisch gebaar. De robuuste draagstructuur als moreel kompas.

Een prachtig verhaal. Maar klopt het wel? Of is de betere vraag waarom dit verhaal zo vanzelfsprekend is gaan klinken: alsof architectuur pas ethisch wordt wanneer ze haar eigen stem dempt?

Misschien moeten we eerlijk zijn over de herkomst van dit jargon. Heeft de architect deze taal werkelijk zelf bedacht?

Deze taal ontstond niet in een vacuüm. Ze werd gevoed door wetgeving, financieringsmodellen, duurzaamheidskaders, brandnormen, parkeernormen, taxaties, aanbestedingsprocedures en de groeiende behoefte om risico’s vooraf beheersbaar te maken. Dat is geen complot en ook geen sluitende verklaring. Maar samen vormen deze mechanismen een speelveld waarin sommige ontwerpkeuzes vanzelfsprekender worden dan andere.

Wat buiten dit veld valt, wordt lastiger. Niet onmogelijk, maar wel trager, riskanter, moeilijker uitlegbaar en dus duurder. Een theatraal stedelijk gebaar? Interessant, maar wat is de restwaarde? Een dwarse ruimtelijke sequentie? Mooi, maar hoe flexibel is dat? Publieke monumentaliteit? Sympathiek, maar wie onderhoudt dat binnen dertig jaar?

Langzaam ontstaat zo een architectuur die niet langer kiest, maar zich indekt: een architectuur die minder vertrekt vanuit een specifieke context, een uitgesproken programma of een duidelijke overtuiging, en zich eerder wapent tegen een onzekere toekomst waarin het gebouw vandaag school moet kunnen zijn, morgen kantoor, overmorgen zorggebouw en daarna misschien cohousing met commerciële plint en publieke daktuin.

Dat klinkt verstandig. En vaak is het dat ook.
Maar risicobeheersing op zich is geen ontwerpvisie.

Het ideale gebouw van vandaag lijkt steeds vaker het gebouw dat nergens radicaal voor kiest. Een generiek raster dat alles kan zijn, precies omdat het niets meer durft te zijn. Een gebouw zonder slechte karaktertrekken, maar ook zonder karakter. Een gebouw dat niemand kwetst, niemand hindert, niemand tegenspreekt en dus ook niemand echt aanspreekt.

We maken onszelf wijs dat we ons eindelijk bevrijd hebben van vormfetisjisme. Dat we niet langer bezig zijn met ego, beeld of gebaar, maar met maatschappelijke dienstbaarheid. We noemen onze terughoudendheid verantwoordelijk. Onze vaagheid inclusief. Onze onwil om positie te kiezen toekomstgericht.

Misschien is dat soms waar.

Maar misschien moeten we ook bekennen dat we hier niet zozeer ethiek bedrijven, maar beslissingen die al voor ons zijn gemaakt een esthetische vorm en een moreel verhaal geven. En dus ook toegeven dat het open plan in realiteit een pak minder vrijgevochten is dan het eruitziet.

De hedendaagse liefde voor robuuste casco’s, sobere vormentaal, zichtbare technieken, onafgewerkte oppervlakken en rationele grondplannen is zelden louter architecturale ascese. Ze past ook bijzonder goed bij budgetten, faseringen, herbestemming, risicobeperking en waardebehoud. Dat hoeft geen schande te zijn. 

Maar het wordt gevaarlijk wanneer we vergeten dat dit een vertaling is. Wanneer we doen alsof deze termen vanzelf moreel superieur zijn. Alsof specificiteit verdacht is. Alsof een gebouw dat ergens nadrukkelijk voor staat per definitie autoritair, ouderwets, uitsluitend of onduurzaam is.

Want wat verdwijnt er wanneer elk gebouw vooral “toekomstbestendig” moet zijn? Wat verliezen we wanneer architectuur zich voortdurend voorbereidt op wat nog niet bekend is, maar daardoor nauwelijks nog durft te reageren op wat er nu is?

Misschien krijgen we dan een stad vol verstandige casco’s. Correct. Circulair. Verhuurbaar. Vergunbaar. Keurig gedocumenteerd. Maar ook een beetje bleek. Een stad die niets verkeerd doet, maar ook weinig zegt.

Flexibiliteit is niet de vijand. Circulariteit al helemaal niet. Robuuste structuren kunnen prachtige gebouwen opleveren. Een goed casco kan genereuzer zijn dan een overgeprogrammeerd prestigeobject.

De vraag is dus niet of openheid, flexibiliteit, robuustheid of generositeit fout zijn.
De vraag is waarom ze zo vaak ophouden ontwerpvragen te zijn en beginnen te functioneren als antwoorden. Waarom wordt “het kan later nog alle kanten uit” zo makkelijk aanvaard als antwoord? Een gebouw mag toch nog iets willen? 

Het mag toch nog koppig zijn, plechtig, vreemd, genereus, theatraal, ongemakkelijk of schaamteloos specifiek? Het mag toch nog meer zijn dan een efficiënte superstructuur met een goed verhaal over aanpasbaarheid?

De architectuur hoeft zich niet opnieuw te verliezen in heroïsche vormwil of holle monumentaliteit. Niemand zit te wachten op de terugkeer van het ego als stedenbouwkundig principe. Maar tussen het narcistische object en het moreel gelakte casco ligt een wereld aan mogelijkheden.

Misschien begint daar de koppigheid.

Niet om deze begrippen af te wijzen, maar om ze van hun aureool te ontdoen. Zodra een gebouw zich in dit vakjargon presenteert, lijken we soms minder streng te vragen wat het vandaag eigenlijk wil zijn. Voor wie het spreekt. Wat het mogelijk maakt, maar ook wat het uitsluit. Waar het weerstand biedt. 

Misschien mag architectuur opnieuw koppig zijn: niet als borstklopperij, maar als een weigering om zichzelf zo klein te maken dat ze uiteindelijk haar vermogen verliest om nog iemand te kunnen raken.

Cente Van Hout is architect bij a2o architecten.  Hij is een van de acht auteurs van de nieuwe Architectura-columnreeks Kritische Massa.

In de rubriek Kritische Massa werpen acht columnisten afwisselend hun blik op de maatschappelijke dimensies van architectuur en bouwen: Benjamin Denef, Edith Wouters, Gerd Van Zundert en Peggy Winkels (als duo), Leo Van Broeck, Marc Schepers, Peggy Totté, Tim Vekemans en Cente Van Hout. Vanuit hun uiteenlopende achtergronden en expertises belichten zij elk op hun manier de ruimtelijke vraagstukken van vandaag.

  • Deel dit artikel

Onze partners