OPINIE. De crisis van het architectenberoep (Tom Boogaerts, &bogdan)

Er is de voorbije weken al wat digitale inkt gevloeid omtrent de verloning van stagiair-architecten en de rol van de Orde van Architecten daarin. We onderschrijven die bezorgdheid ten volle en benadrukken het belang van dergelijke initiatieven om die problematiek onder de aandacht te brengen. Wij willen daarenboven graag een stem toevoegen aan het debat, als architectenbureau dat ervan overtuigd is dat creativiteit en professionaliteit hand in hand kunnen en moeten gaan in architectuur. Zolang de erelonen van architectenbureaus echter niet correct afgestemd zijn op de taken en de verantwoordelijkheden die ons ongewild toebedeeld worden, kan de verloning van medewerkers evenmin substantieel opgetrokken worden, ondanks dat dit absoluut noodzakelijk en gerechtvaardigd is.

Georganiseerde race to the bottom

De hardnekkige perceptie van de buitenwereld dat architecten grootverdieners zijn, is voor het gros van de collega’s slechts een verre illusie. In de praktijk worstelen veel architectenbureaus - de sterarchitecten en een aantal andere uitzonderingen buiten beschouwing gelaten - met een verlieslatende activiteit, en de grootste bezorgdheid is de cashflow die permanent het voortbestaan van hun kantoor bedreigt.

De internationaal hoog aangeschreven Belgische architectuur is doorgaans niet het resultaat van het geniale idee van één persoon, maar van een intensieve samenwerking tussen architecten, opdrachtgevers, gebruikers, studiebureaus, experten, overheden, aannemers, … Iedereen lijkt het er over eens dat de taken, verantwoordelijkheden en risico’s van het architectenberoep in België in de voorbije decennia exponentieel gestegen zijn, terwijl de verloning van architecten tot de laagste in Europa behoort in verhouding tot de bouwkost.

Ontwerpprocessen worden steeds langer en intensiever door de toenemende hoeveelheid en complexiteit van wetten en normen qua stedenbouw, brand, energieprestaties, erfgoed, akoestiek, toegankelijkheid, milieu, regenwater, circulariteit, veiligheid, participatie, etc. Voor elk gewest zijn er trouwens ook verschillen in die vereisten, en eigen nuances en interpretaties van de instanties.

Vergunningsaanvragen hebben te lijden onder de stijgende juridisering en het NIMBY-gedrag van buurtbewoners, wanneer het niet langer gaat om het uitoefenen van ieders rechten als burger maar om het moedwillig blokkeren van projecten uit opportunisme of kwade wil. Allerhande gespecialiseerde en dure softwarepakketten met bijbehorende opleidingen verhogen de werklast en -kosten. Een gebrek aan goed opdrachtgeverschap van zowel private als publieke bouwheren blijft daarenboven courant.

Er worden onvoldoende tijd en middelen voorzien, architecten krijgen wurgcontracten opgedrongen die niet onderhandelbaar zijn wat betreft omvang van de prestaties en verantwoordelijkheden, of opdrachten worden toegekend via wedstrijden die een grote investering vergen zonder enige vergoeding. De vraag rijst dan of het binnenhalen van de opdracht überhaupt nog wel beter is dan het vroegtijdig afhaken…

De sector dient uiteraard ook kritisch te zijn voor zichzelf. Er zijn uitzonderlijk veel architectenbureaus actief in België, in vergelijking met de ons omringende landen. Daardoor is er altijd wel een bureau dat voor een opdracht een lager ereloon vraagt dan de concurrentie, om al dan niet legitieme redenen. Een gebrek aan ondernemerschap waarbij men zich ten volle bewust is van de werklast en de risico’s van een opdracht, is daar slechts één van. Kwalitatieve “A”-projecten aan veel te lage erelonen worden gecompenseerd met winstgevende “b”-projecten van bedenkelijke kwaliteit (die ze liever niet op hun eigen website of in publicaties zien verschijnen).

Aandacht voor de eigenheid van de locatie en de gebruikers gaat ten koste van schaalvergroting en/of specialisatie. Toch slagen bureaus die inzetten op massaproductie en generieke antwoorden erin om een deel van de projecten weg te kapen en zo de kwaliteit van zowel de bebouwde omgeving als de open ruimte te ondermijnen. Ontwerpvoorstellen worden gratis aangeboden, in de hoop er op korte of lange termijn toch een architectuuropdracht uit te halen. Voor bestuurders met veel eigen middelen of vreemd kapitaal is er geen noodzaak om het architectenbureau te leiden als een gezonde onderneming waar winst geherinvesteerd wordt in personeel, opleiding, middelen en innovatie.

Doceren aan hogescholen of universiteiten is voor sommige collega’s naast een nobel engagement met het oog op de kwaliteit van de toekomstige generatie, vooral een pure noodzaak om maandelijks rond te komen door de lage verloning als architect. Voor anderen is het echter een excuus om goedkope werkkrachten aan te trekken of om hun kantoor als een hobby te beschouwen die niet eens rendabel hoeft te zijn. Dergelijke benaderingen van architectenbureaus zijn nefast voor de sector.

De Orde van Architecten kijkt oogluikend toe hoe de waardigheid van het beroep zienderogen achteruit gaat, terwijl het nochtans één van haar kerntaken is om die te beschermen. De “architectuurwerkers” (een term ontleend aan het platform “dear architects” om te verwijzen naar “mensen die architectuur, ingenieurarchitectuur, interieurarchitectuur, landschapsarchitectuur of stedenbouw gestudeerd hebben, en aan de slag zijn bij architectenkantoren”) zijn daar in de eerste plaats het slachtoffer van.

 

Architectuurwerkers

Historisch gezien is de overgrote meerderheid van de architectuurwerkers actief als (schijn)zelfstandige, die bij aanvang van hun carrière minder verdienen dan het wettelijke minimumloon. Jonge afgestudeerde architecten worden vaak ingezet als goedkope werkkrachten in ruil voor ervaring en uitstraling op hun cv. Er is dan wel geen eindverantwoordelijkheid (Gideon Boie, De Standaard, 03/10/2023), maar de kosten voor architectuurwerkers lopen hoog op als je rekening mag houden met ziekteverzekering, sociale zekerheidsbijdragen, vrij aanvullend pensioensparen, gewaarborgd inkomen, bijkomende opleidingen, jaarlijkse bijdrage aan de Orde, boekhouder, etc.

Bovendien staan periodes als het jaarlijkse bouwverlof, ziekte of ouderschapsverlof integraal gelijk aan een periode zonder inkomen of pensioenopbouw. Een “dertiende” maand? Op jaarbasis is er niet eens een twaalfde maand om te factureren, maar de kosten in levensonderhoud lopen uiteraard wel gans het jaar door.

Een hoog aantal uren is voor een zelfstandig architectuurwerker een must om voldoende te kunnen factureren aan het einde van de maand. Bureaus die een laag vast bedrag aanbieden en vervolgens van de medewerkers verwachten dat zij 200 of meer uren presteren, zouden in andere sectoren beschuldigd worden van sociale uitbuiting.

Die werkomstandigheden voor architectuurwerkers leiden tot een grote uitval naar andere sectoren, en het wordt alsmaar moeilijker voor architectenbureaus om getalenteerde architecten aan te trekken én aan boord te houden. Dat relatief grote verloop in architectenbureaus zorgt ervoor dat een deel van de opgebouwde kennis en ervaring verdampt, en dat er dus nog meer geïnvesteerd dient te worden in permanente kennisoverdracht.

Een statuut als bediende zou op het eerste gezicht de nodige bescherming kunnen bieden, onder andere dankzij het minimumloon en een collectieve arbeidsovereenkomst. Het blijft echter nog maar de vraag welk referentiekader er voor de verloning in het verdere verloop van de carrière gehanteerd zou worden. Hoe gerechtvaardigd het ook zij, het eenzijdig optrekken van de verloning van architectuurwerkers van overheidswege zonder meer, zou er rechtstreeks toe leiden dat een groot aantal architectenbureaus niet langer levensvatbaar zal zijn.

 

Systeemverandering

Aangezien de betaalbaarheid van bouwprojecten, zowel in de private als in de publieke sector, danig onder druk staat, lijkt een algemene stijging van de erelonen van architectenbureaus niet meteen wenselijk vanuit het standpunt van “de bouwwereld”. Het is de verdienste van onder andere de verschillende bouwmeesters dat de voorwaarden voor zowel publieke als private opdrachten aan de beterhand zijn, maar hun slagkracht en bereik blijken helaas te beperkt voor een structurele kentering.

Goede opdrachtgevers blijken gelukkig bereid om een deel van de taken, de risico’s en de verantwoordelijkheden niet langer louter op de architect af te wentelen en de scheefgetrokken verhouding tegenover de vergoedingen (deels) bij te sturen. Door het systematisch karakter van de geschetste problematiek zal het aan dit tempo echter nog vele jaren duren voor dit ertoe zal leiden dat ook het salaris van architectuurwerkers in de ganse sector stijgt naar een aanvaardbaar niveau.

Het kan niet langer dat wij als architecten (bureaus én medewerkers) het slachtoffer blijven van de systeemfouten, en van het feit dat we uitzonderlijk gemotiveerd zijn om een passend ruimtelijk antwoord te bieden op de vraagstukken die ons voorgelegd worden. Het is tijd voor een systeemverandering, en dat is een gedeelde verantwoordelijkheid van de Orde van Architecten, de aanbestedende overheden, de ontwikkelaars, de aannemers, de bouwmeesters, de beroepsorganisaties, de architectenkantoren én de architectuuropleidingen, om zo dringend werk te maken van een gezonde architectuursector.

We roepen alle partijen op om samen het debat te voeren over rechtvaardige condities voor de uitoefening van het architectenberoep. De Orde kan hierin het voortouw nemen, vanuit haar bekommernis over de bescherming van de bouwheer enerzijds en de waardigheid van het beroep anderzijds.

 

Tom Boogaerts is executive director bij architectenbureau &bogdan.

Deel dit artikel:
Onze partners