INTERVIEW. "Aanpasbare gebouwschillen moeten opnieuw de norm worden"
Een hedendaagse gebouwschil moet niet alleen beantwoorden aan de noden van de huidige gebruiker, maar ook voorbereid zijn op toekomstige aanpassingen. Demonteerbare gevelcomponenten, onderhoudsvriendelijke technieken en bescherming tegen oververhitting winnen daardoor steeds meer aan belang, als onderdeel van een doordachte langetermijnvisie. In het kader van de Architectura Awards gingen Floris De Bruyn (GAFPA architectuur, genomineerd met het herbestemmingsproject G1817), Wim Boesten (Bovenbouw Architectuur, genomineerd met de reconversie van Royale Belge) en Lorenz Geens (Wilms, partner van de Architectura Awards) dieper in op de vraag welke kwaliteiten een futureproof gebouwschil altijd zou moeten hebben.
Een gebouwschil is al lang geen statisch eindproduct meer. Volgens onze drie gesprekspartners moet hij net voldoende robuust én flexibel zijn om toekomstige aanpassingen mogelijk te maken. Dat vraagt uiteraard om een andere manier van ontwerpen. "Bij ons is aanpasbaarheid dan ook een heel belangrijk uitgangspunt", vertelt Floris De Bruyn. "Dit maken we overigens graag zichtbaar in de architectuur. Een heldere detaillering, waarbij de verschillende gevelcomponenten duidelijk leesbaar blijven, geeft mensen het vertrouwen dat een gebouw later nog aangepast of gedemonteerd kan worden – veel meer dan gevels waarachter alles is weggestopt en waarbij je dus niet weet wat je zult aantreffen. Bij G1817 zie je dat ook terug. Elk materiaal behoudt zijn eigen identiteit en de verschillende ingrepen blijven zichtbaar. Het zijn eenvoudige oplossingen, maar we tonen ze bewust."
Ontwerpen met het oog op verandering
Volgens Floris De Bruyn is dat allerminst een nieuw principe. "Vroeger waren boutverbindingen, stapelbare constructies en demonteerbare onderdelen de normaalste zaak van de wereld. De voorbije decennia zijn we echter steeds vaker producten en constructies gaan maken waaraan je nauwelijks nog iets kunt veranderen zonder schade aan te richten. Dat is een evolutie die we opnieuw moeten omkeren. Zowel architecten als materiaalfabrikanten moeten hier goed over nadenken. Zelf vind ik het alleszins een fijne gedachte om gebouwen op te leveren waarbij al meteen niet meer duidelijk is wat ‘oud’ en ‘nieuw’ is, met dank aan slim behoud of hergebruik van bestaande elementen.”
Toch blijft de praktijk weerbarstig. Hoewel steeds meer fabrikanten een inhaalbeweging hebben ingezet en producten ontwikkelen met circulariteit in het achterhoofd, blijkt effectief hergebruik nog lang geen evidentie. "Je hebt een bouwheer nodig die erin gelooft, je moet een aannemer vinden die zich mee wil engageren, je botst geregeld op een gebrek aan attesteringen en dient bijgevolg intensief te overleggen met onder meer de brandweer om goedkeuring te krijgen voor bepaalde innovatieve toepassingen … Er zijn vandaag heel wat beloftevolle initiatieven en vooruitstrevende pioniers die aan de kar trekken, maar ook nog heel wat praktische hordes te overwinnen. Over het algemeen moeten de geesten toch nog een beetje rijpen, want circulair bouwen is bij uitstek een collectieve oefening.”
Ook Wim Boesten benadrukt dat gebouwen vandaag meer moeten aankunnen dan hun oorspronkelijke look en bestemming. "Het lijkt me evident dat je gebouwen ontwerpt die zich later kunnen aanpassen, zowel constructief als qua programma en invulling. België heeft wat dat betreft trouwens een lange traditie. Dat vermogen om te 'bricoleren' zit hier ergens ingebakken in de bouwcultuur. Ik ben vooral benieuwd hoe toekomstige generaties later weer met onze gebouwen aan de slag zullen gaan."
Samen grenzen durven verleggen
Voor Lorenz Geens schuilt daar net de grootste uitdaging in. "Dat we in België geboren ‘plantrekkers’ zijn, kan soms ook een nadeel vormen. Veel mensen blijven uit gewoonte vasthouden aan hun vertrouwde manier van werken, terwijl je voor de circulaire transitie net opdrachtgevers, ontwerpers en fabrikanten nodig hebt die grenzen willen verleggen en nieuwe pistes durven verkennen. Hoe meer geslaagde voorbeelden er komen, hoe sneller de algemene overtuiging zal groeien dat het wel degelijk mogelijk is.”
“Het is ook een kwestie van elkaar challengen en inspireren”, benadrukt Geens. “Ik woonde onlangs een keynote bij van een professor van de TU Delft, waar ze een ‘leasinggevel’ met een bijbehorend as a service-concept ontwikkeld hebben, inclusief materiaalleveranciers die de gebruikte elementen over enkele jaren aan de huidige productprijs zullen terugkopen. Dergelijke concepten stemmen tot nadenken, zeker gezien de wetenschap dat bouwen in principe alleen maar duurder zal worden. Niet enkel in praktisch en ecologisch, maar ook in financieel opzicht biedt circulariteit dus wel degelijk opportuniteiten.”
Zelf kijkt Wilms als fabrikant vooral naar de aanpasbaarheid van zijn systemen. "Onze producten moeten mooi geïntegreerd kunnen worden, maar tegelijk bereikbaar blijven voor onderhoud of eventuele herstellingen. Een volledige gevel openbreken om een nieuwe motoraandrijving te installeren, is vandaag in onze ogen niet langer verdedigbaar. Vandaar dat het belangrijk is om al tijdens de ontwerpfase te anticiperen op dergelijke scenario’s. Wat hergebruik betreft, botsen we vandaag nog vaak op bepaalde issues zoals aansprakelijkheid. Wie durft de verantwoordelijkheid te nemen en kan correct aantonen dat een circulaire structuur of gebouwelement effectief nog x-aantal jaar meekan, inclusief de nodige garanties?”
Ook zomercomfort mee incalculeren
Niet alleen de circulaire transitie verandert de manier waarop we naar gebouwschillen kijken. Ook de klimaatverstoring zorgt voor nieuwe accenten. Waar de focus vroeger vooral lag op warmte binnenhouden tijdens de winter, wordt het vermijden van oververhitting tijdens de zomer steeds belangrijker. "In de projecten waaraan wij werken, is dat vandaag volledig ingeburgerd", zegt Wim Boesten. "Dynamische simulaties in functie van het thermisch comfort maken steeds vaker deel uit van het ontwerpproces. Terecht ook, want door de toenemende klimaatextremen wordt zomercomfort een cruciaal aandachtspunt."
Kortom: oververhitting tegengaan is vandaag een basisbegrip dat op dezelfde hoogte staat als isolatie en luchtdicht bouwen. Toch leeft dat besef nog niet overal even sterk, geeft Lorenz Geens aan. “In grote projecten zoals Royale Belge is dat vanzelfsprekend – inclusief alle technische omkadering en de nodige thermische studies – maar in de particuliere woningbouw ligt de nadruk nog vaak op wintercomfort. Met als gevolg dat onze telefoon roodgloeiend stond afgelopen zomer.” Hij pleit er dan ook voor om hittepreventie niet als een afzonderlijke ingreep te bekijken, maar als een integraal onderdeel van het ontwerp. “Wij kunnen de warmte uiteraard tegenhouden met onze oplossingen, maar daarnaast is het ook van belang om te bekijken hoe je die warmte opnieuw buiten krijgt eens ze in huis zit.”
Volgens Floris De Bruyn worden eenvoudige lowtechingrepen daarbij nog al te vaak onderschat. "Denk bijvoorbeeld aan nachtelijke crossventilatie via twee ramen die op elkaar afgestemd zijn en een verkoelende luchtflow creëren. Zoiets is in mijn ogen zo evident dat het bijna absurd is om het als voorbeeld aan te halen, maar toch liggen dergelijke oplossingen vaak niet op tafel. Terwijl dezelfde snelheid en volume aan nachtkoeling bijna niet haalbaar is met mechanische systemen.”
Ook wanneer de financiële middelen beperkt zijn, hoeft de toekomst niet uit het oog verloren te worden. “Vaak zijn budgettaire beperkingen het excuus om te besparen op hittepreventiemaatregelen zoals zonwering. Uiteraard kunnen wij de benodigde centen niet tevoorschijn toveren, maar er kunnen wel voorzorgsmaatregelen genomen worden om ze later alsnog toe te voegen. Dat trachten we altijd mee te geven aan architecten: maak bouwheren hier attent op”, zegt Lorenz Geens. “Soms kan een omgekeerde manier van denken ook soelaas bieden”, vult Floris De Bruyn aan. “Zo hebben we ooit eerst een boom geplant in functie van latere schaduwwerking en daar nadien een gebouw rond gezet. Simpel, maar zeer efficiënt!”
Gebouwen in hun geheel bekijken
Tot slot: welke reflex moeten we dringend aan- of afleren wanneer we bestaande gebouwschillen renoveren? Opnieuw blijkt de rode draad niet zozeer meer bouwen, maar slimmer omgaan met wat reeds aanwezig is. "Voor mij begint alles met de vraag of bepaalde ingrepen überhaupt nodig zijn", antwoordt Floris De Bruyn. " Dat is een collectieve verantwoordelijkheid die we dragen, waarvan de impact zeker niet te onderschatten is. In een ander tijdsgewricht was een gebouw als Royale Belge misschien gewoon afgebroken, terwijl het vandaag net de kracht van herbestemming toont. Vooraleer we beginnen rekenen, moeten we dus de vraag stellen of het al dan niet opportuun is om bestaande gebouwen of elementen te behouden in plaats van zomaar voor volledige vernieuwing te opteren. Om aansluitend, zoals bOb Van Reeth ooit stelde, ‘intelligente ruïnes’ te ontwerpen. Lees: robuuste structuren die doorheen de tijd kunnen worden aangepast aan de eisen van de bouwheer.”
Ook Wim Boesten pleit ervoor om verder te kijken dan vandaag. "We moeten durven rekenen en vergelijken op basis van de evolutie op lange termijn. Waarom zou je bijvoorbeeld een perfecte nieuwe gevelopbouw maken die qua CO2-besparing pas over dertig jaar is terugverdiend als je een groot deel van een bestaande buitenschil kan vrijwaren (eventueel mits vervanging van een paar componenten) of kan vernieuwen met hergebruikte materialen en die CO2-besparing nu al kan realiseren?”
Volgens Lorenz Geens is het vooral tijd voor een andere manier van samenwerken. "Tot voor kort werd er in de bouw zeer productgericht geredeneerd en werden veel aspecten afzonderlijk aangepakt. Vandaag is het zaak om gebouwen in hun geheel te bekijken, want alles heeft invloed op elkaar. Eerst isoleren, dan beslissen welke beglazing je toepast en nadien bekijken welk ventilatiesysteem aangewezen is: het zou niet meer van deze tijd mogen zijn.” Hij besluit met een citaat van schrijver Antoine de Saint-Exupéry dat volgens hem perfect samenvat waar de sector naartoe moet. "Perfectie wordt niet bereikt wanneer er niets meer toe te voegen is, maar wanneer er niets meer weg te nemen valt. Vertaald naar ons metier betekent dat: we hoeven niet noodzakelijk steeds meer technieken of elementen toe te voegen. De echte uitdaging bestaat erin om met zo weinig mogelijk ingrepen zoveel mogelijk kwaliteit te creëren. Net dat maakt ons specifieke vakgebied en architectuur in het algemeen zo boeiend.”