INTERVIEW. “Licht is een volwaardig ontwerpelement, geen bijproduct”

  • image

Op welk moment komt natuurlijke lichtinval het best aan bod in een project? "Al vanaf de eerste ontwerpschetsen", menen Emmanuel Bouffioux (BAEB), Matthieu Busana (Mamout), Yves Sottiaux en Joël Sels alias Dr. Daylight (VELUX). In een collectief interview naar aanleiding van de Architectura Awards benadrukten ze dat dit evenwel meer inhoudt dan extra ramen voorzien. “Het is zaak om rekening te houden met locatie, gebruik, zichten, privacy, akoestiek en zomercomfort, waarbij architectuur voorrang krijgt op technologie”, klonk het unisono.

Hoe meer randvoorwaarden een project met zich meebrengt, hoe eerder natuurlijke lichtinval in de ontwerpfase aan bod moet komen. Over deze eerste stelling waren onze vier panelleden het al snel eens. Met één belangrijke nuance: licht is nooit een op zichzelf staande variabele. Het maakt deel uit van een geheel waarin ook zichten, ventilatie, volumetrie, privacy, akoestiek en gebruiksvriendelijkheid een rol spelen.

Eerder slopen dan bijbouwen

Het Dailly-project, waarbij Mamout een vergeten binnengebied in Schaarbeek omtoverde tot een compacte, hedendaagse gezinswoning, illustreert dit op haast experimentele wijze. Het perceel van 6 meter breed en ruim 20 meter diep wordt aan weerszijden geflankeerd door hoge naburige gebouwen. De woning werd daarom al in een vroeg stadium gestructureerd rond twee patio’s, aangevuld met enkele zorgvuldig gepositioneerde koepels. De patio’s zorgen niet alleen voor natuurlijke lichtinval, maar creëren ook ruimtelijkheid, zichtlijnen en een opeenvolging van sferen: binnen, buiten en dan weer binnen. "Het ontwerp is echt opgebouwd rond het licht”, vat Matthieu Busana samen.

Deze ontwerpbenadering reikt verder dan het specifieke geval van Dailly. In Brussel bestaat renovatie vaak uit het corrigeren van de negatieve effecten van drie achter elkaar gelegen vertrekken, een opeenstapeling van uitbreidingen/koterijen en een te grote diepte van de plattegronden. Mamout pakt dit aan door zaken weg te nemen in plaats van toe te voegen. "Denk onder meer aan het verwijderen van een deel van de vloer, het creëren van een vide, een patio of een dubbelhoge ruimte ... Dit kan de kern van een gebouw opnieuw een ruimtelijke kwaliteit verlenen die een nieuwe aanbouw alleen maar verder zou verzwakken."

Joël Sels constateert dezelfde paradox op een algemenere schaal. Bepaalde ingrepen die als positief worden beschouwd — het verdikken van muren, het isoleren van daken, het aanbrengen van zonnepanelen of nieuwe uitbreidingen — kunnen de natuurlijke lichtinval aanzienlijk reduceren. “Als hier pas naar wordt gekeken nadat de functies, de technieken en de gevelcompositie al zijn vastgelegd, worden de openingen in de buitenschil slechts een bijproduct van het ontwerp. Omgekeerd kan het gelijktijdig in rekening brengen van de baan van de zon, diffuus licht, ventilatie en thermische inertie tot een andere gebouwvorm leiden.”

Doordacht doseren

Bij de realisatie van Citygate I – Goujons in Anderlecht ging BAEB uit van een heel andere reeks randvoorwaarden. Het gebouw omvat 35 sociale woningen en een geïntegreerd sociaal en gezondheidscentrum van 1500 m². Het is opgetrokken op een perceel dat is blootgesteld aan de nabijheid van spoorwegen en een naburige toren. De hoefijzervorm vloeide dus niet louter voort uit het streven naar natuurlijke lichtinval, het is in de eerste plaats een antwoord op de specifieke karakteristieken van een complexe site die bewoonbaar moest worden gemaakt.

Licht speelde echter vanaf het prille begin een cruciale rol in het project, net als alle andere eisen. De leefruimtes van de woningen zijn gericht naar de hoofdgevel en de bijbehorende terrassen, die tevens als zonwering fungeren. De circulatieruimtes bevinden zich aan de achterzijde, aan de kant van de keukens en de ingangen. Op de begane grond laat een geperforeerde dubbele schil daglicht binnen in de dokterspraktijken, terwijl de privacy ten opzichte van de straat gewaarborgd blijft. De wachtruimtes, die een publieker karakter hebben, openen zich meer naar de binnentuin.

Voor Emmanuel Bouffioux is licht zoals een ingrediënt in een culinair recept: essentieel, maar doordacht te doseren in verhouding tot alle andere ingrediënten. "In een woning die is ontworpen voor een individuele gebruiker kan je als architect gerust een unieke oplossing nastreven en deels out of the box denken. Bij een collectief of gemengd project moet je daarentegen een solide oplossing bieden voor bewoners die je niet rechtstreeks kent en rekening houden met meer stedenbouwkundige, functionele en reglementaire randvoorwaarden.”

Meer glas, meer comfort?

De tweede stelling die we aan het panel voorlegden — 'wat natuurlijk licht betreft, is meer niet per se beter' — deed het debat opschuiven naar de aloude contradictie ‘kwantiteit versus kwaliteit’. Een ruimte die te veel licht binnenlaat kan oncomfortabel worden, verblinding veroorzaken, de privacy in gevaar brengen of zelf oververhitting en akoestische galm versterken. Omgekeerd is een slecht verlichte ruimte moeilijker leesbaar en minder geschikt voor verschillende gebruiksdoeleinden. Tussen deze twee uitersten bestaat evenwel geen gulden middenweg die ontwerpers altijd dienen te bewandelen. Alles hangt af van het project in kwestie.

Matthieu Busana is voorstander van grote raamopeningen wanneer deze toegang bieden tot een tuin of de grens tussen binnen en buiten doen vervagen. In het Dailly-project kan de gelijkvloerse gevel bijvoorbeeld volledig geopend worden. Dit zorgt voor een zeer sterke ruimtelijke beleving, maar kan af en toe ook leiden tot ongemakken bij felle zon. Dit laatste doet niet noodzakelijk afbreuk aan de architecturale kwaliteit, het wijst eerder op een bewuste afweging tussen een voordeel dat het hele jaar door wordt ervaren en enkele minder gunstige momentopnames.

Joël Sels stelt voor om een onderscheid te maken tussen diffuus licht en direct licht. Aan de hand van het eerste type kan worden beoordeeld of een ruimte voldoende en gelijkmatig verlicht zal zijn. Het tweede type zorgt dan weer voor de lichtstralen, schaduwen en variaties die de ruimte karakter geven, maar vereist een nauwkeurigere afstemming op de oriëntatie en de tijd van het jaar. De vormgeving van de raamopeningen moet daarom vertrekken vanuit het interieur – afhankelijk van het gebruik en de beoogde zichten – en vervolgens in de gevelcompositie geïntegreerd worden in plaats van uitsluitend door deze laatste te worden bepaald.

Naast woningen zijn er overigens nog heel wat andere gebouwen waar natuurlijk licht cruciaal is voor het comfort en de beleving. In een museum, een zwembad, een kantoorvolume, een theater of een beveiligd gebouw gelden veel strengere eisen wat betreft de omgang met daglicht. Emmanuel Bouffioux noemt onder meer de zenitale lichtverspreiders in een museum, lamellen waarvan de afmetingen zijn afgestemd op de jaarlijkse zoninstraling in kantoren of theaterzalen die tijdens een voorstelling volledig verduisterd moeten kunnen worden. Joël Sels meent dat dergelijke projecten baat hebben bij een echt 'lichtbestek' waarin de diffuse lichtinval, de gewenste of te vermijden directe effecten, de zichten en de risico’s op verblinding worden beschreven.

Ontwerp boven techniek

Ook oververhitting is deze dagen een belangrijk aandachtspunt als het om natuurlijke lichtinval gaat. Een raamopening zorgt voor daglicht en zicht op de omgeving, maar ook voor warmtewinsten. De meest duurzame oplossing bestaat er dus in om maatregelen te nemen voordat er gemotoriseerde zonwering, sensoren en koelsystemen worden toegevoegd. De oriëntatie, de geometrie van de raamopening, de diepte van een luifel of terras, een dubbele schil, noordelijk licht, thermische inertie en natuurlijke ventilatie: al deze factoren kunnen hier een rol in spelen. "Ontwerp moet de bovenhand hebben op techniek“, vat Joël Sels samen.

Yves Sottiaux wijst erop dat dakopeningen niet automatisch tot oververhitting leiden. “Als ze op de juiste manier zijn georiënteerd, kunnen ze overvloedig diffuus licht leveren zonder overmatige rechtstreekse bezonning. Bij Citygate I – Goujons beschermen de terrassen de beglazing. Elders kan een shed, een volumetrische terugsprong of een hoge raamopening op passieve wijze bereiken wat een technische installatie anders voortdurend zou moeten corrigeren.”

Dat betekent evenwel niet dat alle technologie overbodig is. In een groot gebouw kan niemand dagelijks tientallen zonweringen manueel bedienen en zijn bepaalde automatiseringen dan ook zinvol. Maar de panelleden zijn het eens over de achterliggende hiërarchie: eerst ontwerpen, daarna ondersteunen. Matthieu Busana spreekt van "doordachte architectuur“, Joël Sels geeft de voorkeur aan "right tech“ – lees: de juiste techniek, die niet uit principe ontbreekt, maar ook niet bedoeld is om systematisch een gebrekkig ontwerp te compenseren.

Deze hiërarchie heeft ook economische gevolgen. Architectuur die de behoefte aan verwarming, koeling en kunstmatige verlichting beperkt, zorgt voor minder technische installaties, een lager verbruik en minder onderhoud. Natuurlijke lichtinval is in dat opzicht niet zomaar een extraatje dat pas aan het einde van het project wordt toegevoegd. Het is opnieuw wat het altijd al had moeten zijn: een volwaardig ontwerpelement.

  • Deel dit artikel

Onze partners