Ward Verbakel (PLUSOFFICE): “Mijn handen kunnen ook denken”
Architectuur begint niet noodzakelijk bij het zoeken naar een antwoord, maar soms bij het in vraag stellen van de opdracht zelf. Die overtuiging loopt als een rode draad door het werk van Ward Verbakel, architect-stedenbouwkundige, medeoprichter van PLUSOFFICE en docent aan de KU Leuven. In een gesprek met Cédric Callewaert voor Unité, het architectuurmagazine van Existenz, blikt hij terug op zijn parcours en deelt hij zijn visie op ontwerpen, stedenbouw en de rol van de architect. Ook het belang van experimenteren, leren uit fouten en het overstijgen van individueel denken komt aan bod.
Existenz is de studentenvereniging van de ingenieur-architecten aan de KU Leuven. Met Unité brengt de vereniging vier keer per jaar een magazine uit waarin studenten architectuurprojecten analyseren en in gesprek gaan met ontwerpers. Het interview verscheen oorspronkelijk in de eerste editie van het academiejaar 2026-2027, met ‘Reflectie’ als centraal thema.
(Unité): Architect / stedenbouwkundige zijn, wat betekent dat voor jou?
Ward Verbakel (WV): Wat boeiend is aan ons domein, is dat je altijd gevraagd wordt om op zoek te gaan naar interessante oplossingen. Ook als het gaat om complexe, soms bijna onmogelijk lijkende uitdagingen zoals de energiecrisis, de betaalbaarheid van wonen, sociale uitdagingen of mobiliteitsproblemen. We zijn heel goed in het creëren van meerwaarde. Andere sectoren verleggen vooral ‘papieren’ van hier naar daar en verdienen daarmee geld, terwijl wij op een bepaalde manier in de wereld van de ideeën leven. We metsen of lassen niet, maar toch creëren we enorm veel meerwaarde en echte veranderingen in de wereld, en dat spreekt me heel hard aan. Hoe we met onze denkkracht anderen kunnen overtuigen om de realiteit te verbeteren. Dat is misschien een beetje naïef, maar wel iets wat ik heel interessant vind
(Unité): Waarom heb jij hiervoor gekozen?
(WV): Architectuur heeft eigenlijk voor mij gekozen. Als kind was het voor mij een evidentie dat ik architect zou worden. Daarbinnen lag stedenbouw mij goed, en zo ben ik daarin verdergegaan. Had ik toen een goede landschapsopleiding gekend, dan was ik wellicht nu landschapsarchitect geweest.
(Unité): Zijn hierbij cruciale momenten / projecten geweest?
(WV): Er zijn er zeker. Eentje was in het vierde jaar. Toen kregen wij in de opleiding een project over Oostende dat voor de eerste keer een stedenbouwkundige schaal aansneed. Uit frustratie omdat ik niet begreep wat nu het verschil was tussen architectuur en stedenbouw, zijn we op een bepaald moment heel boos naar onze professor gestapt. De prof was op dat moment Bruno De Meulder. We hebben hem gezegd: “Hoe kan dat nu, leg het nu toch eens uit.” De professor heeft toen een drietal minuten met zijn hand boven de tekening, boven de kaart, zitten zweven en dan zijn uitleg gegeven over wat stedenbouw voor hem was. Ik herinner me de exacte uitleg niet meer, maar ik herinner me wel dat toen ineens mijn ogen opengingen. Dat is echt een sleutelmoment in mijn gewaarwording geweest.
Datzelfde heb ik ook gehad toen ik João Nunes leerde kennen, een landschapsarchitect. Ook hij heeft op een bepaald moment, tijdens een workshop in Italië, zo’n goede feedback toegevoegd aan wat wij aan het doen waren, dat ik echt dacht en voelde dat er nog andere, meer poëtische manieren zijn om over dingen te spreken.
(Unité): Falen is ook een manier van leren. Zijn er projecten geweest waarop jij gevoeld hebt dat je faalde, en wat heeft jou dat bijgebracht?
(WV): Het is een goede vraag om te stellen, want hoe sneller je beseft dat de beste ontwerpstappen worden gezet door gewoon te proberen, en niet door te denken en te wachten tot het juiste idee neerdaalt, hoe sneller je vooruitgeraakt en je je eigen taal en talent ontwikkelt. Door constant dingen te doen, te testen en te tekenen, kweek je een cultuur van excellentie en creativiteit. Ik denk dat ik vroeger ook iemand was die dingen meteen goed wou doen en daar heel cerebraal over nadacht. Ik ben een snelle denker, maar ik zou ook graag een snelle tekenaar willen zijn. Dus ik moet mezelf er ook aan herinneren dat mijn handen ook kunnen denken.
Vaak zie je, door enkele eerste versies op papier te zetten, dat deze niet werken, en zo kan je naar de volgende stap gaan. Dat gaat alleen door die eigen feedbackloop te creëren: ik doe iets, ik kijk ernaar, ik interpreteer het en ik herdenk het. In dat soort iteraties ligt volgens mij de kunst.
In architectuur is het realiseren van een gebouw zo’n complexe materie, dat er achteraf heel vaak dingen zijn waarover je niet tevreden bent. Er is dan altijd een periode waar je doorheen moet om de kwaliteiten toch terug te zien. Want op het einde van bijvoorbeeld een werf heb je vooral gediscussieerd over alles wat niet goed was: krassen, een slecht aansluitende naad, een slechte uitlijning, alle problemen zijn gezien en benoemd. Maar je moet dan terugkomen tot een moment waarop je ziet wat wel werkt, wat goed wordt gebruikt. Na al het falen terug verliefd worden op je eigen project, dat is echt heel waardevol.
(Unité): Je hebt inmiddels veel ervaring opgedaan. Hoe is jouw visie veranderd ten opzichte van het begin van je carrière?
(WV): Ik ben al twintig jaar actief in het beroep, zelfs iets meer. Ik denk dat ik zelf geëvolueerd ben van architectuur zien als een soort auteurspraktijk, waarin je het beste antwoord geeft op de gestelde vraag (bijvoorbeeld: maak het mooiste schoolgebouw op deze plek met dit programma) naar iets anders. Bij PLUSOFFICE, en ook voor mezelf, zijn we vooral geïnteresseerd geraakt in het ontwerp gebruiken om te onderzoeken of de gestelde vraag eigenlijk wel de juiste is. Of om via het ontwerp te onderzoeken wat ik eigenlijk nodig heb om dit te doen. Dan gaat het meer over: wie heb ik nodig? Wat moet er eigenlijk opgelost worden? Dat is het ontwerpende onderzoek, en dat is iets waar ik, toen ik begon, minder oog voor had. Daar ligt mijn passie blijkbaar.
(Unité): Wat zijn jullie ambities met PLUSOFFICE en hoe proberen jullie hiernaartoe te werken?
(WV): Eén van de ambities die we hadden, was om als team professioneler te worden en werkbare, leefbare werkcontexten te bieden. Plekken waar mensen niet alleen interessante dingen doen, veel leren en het fijn vinden om in een aangenaam team te werken, maar dit ook kunnen verzoenen met hun levensplan. Wil ik kinderen? Wil ik een huis? En kan dat met deze job? Toen we begonnen, was iedereen zelfstandige, en misschien zelfs schijnzelfstandige. Sinds vijf maanden hebben wij bediendestatuten, en hebben we meer gewerkt aan hoe we ons organiseren. Daar willen we verder aan blijven werken, om het scherp, creatief en interessant te houden, zonder te verzilten, maar wel naar een correctere context te gaan.
Een tweede ambitie is om de focus meer terug te vinden. We zijn heel goed in nieuwe dingen doen. We zijn heel goed in altijd ‘ja’ zeggen, en daar dan ook mee aan de slag te gaan. Maar het is misschien interessant om hier en daar wat scherper af te bakenen.
Als derde merk ik dat ik het schrijven van boeken zoals de toolbox dorpenbouw nodig heb om mezelf te blijven stimuleren. Ik weet dan ook dat we daar verder op zullen blijven inzetten. Van tijd tot tijd werk ik aan een tentoonstelling, een boek of een pitch voor een bijzondere foundation. Dat is niet de core van ons werk, maar het zijn wel dingen die me scherp houden. Daarnaast werken we ook responsief: we reageren op vragen die vanuit de overheid en de markt komen. Daarom denk ik dat het belangrijk is om goed te weten wat het profiel is van de dingen die we goed kunnen.
Het zou ook fijn zijn om nog meer aan grootschalige masterplannen te werken, zoals ‘The Loop’ in Gent of industrieterreinen in het Leuvense. Dat soort dossiers zouden we graag nog eens binnenhalen.
(Unité): Waarvoor zal de opkomende generatie meer aandacht moeten hebben? Hoe kan stedenbouwkunde hierop een antwoord bieden?
(WV): Ik denk dat stedenbouw kan helpen om de grote uitdagingen van onze maatschappij op te pakken. Het gaat dan niet enkel over de volgende generatie, maar over alle generaties, zowel degenen die er al zijn als degenen die er nog niet zijn. Stedenbouw is echt een manier om de dingen die toch in de ruimte moeten plaatsvinden, beter te doen. We hebben in Vlaanderen en België een cultuur om dingen niet zo nauw te nemen: overal dingen verspreiden, vermengen, en vooral nooit hetzelfde naast elkaar doen. Terwijl je, als je op een plek komt waar dingen bij elkaar horen, eigenlijk veel kwaliteit kan genereren en rust kan uitstralen. Zo kunnen we ervoor zorgen dat bomen wel oud worden, dat water in groep gebufferd kan worden. Bovendien kan stedenbouw helpen om het individuele gedrag van de maatschappij te overstijgen. Dat is denk ik iets wat ook de komende generaties aanbelangt. De tijd van het hyperindividualisme moet echt voorbijgaan, want zo kunnen we bosbranden zoals in de Hoge Venen niet opvangen als we enkel vanuit het ‘ik’ kunnen denken.
(Unité): Hoe leer je eigenlijk het kijken en lezen van een plek?
(WV): Om dingen te zien, merk ik dat het heel goed is om een referentiekader te hebben. Dat referentiekader kan uit voorbeelden bestaan, maar het kan ook op een meer conceptuele manier. Door te weten hoe iets werkt of hoe iets tot stand is gekomen, kan je heel snel patronen in de ruimte herkennen. Dat is bijvoorbeeld wat de toolbox dorpenbouw doet: een manier om dorpen te kunnen lezen en snel te zien hoe het systeem in elkaar zit. Als je dat kan meegeven aan mensen, kunnen ze er ook snel mee aan de slag.
Verder is het heel belangrijk om veel vragen te stellen aan elkaar over hoe dingen in elkaar zitten. En om samen naar tekeningen en kaarten te kijken, en ondertussen te tekenen en te vertellen, want zo zien andere mensen ook steeds nieuwe dingen. Blijf ook veel vragen stellen over dingen die je nieuwsgierigheid prikkelen.
(Unité): En hoe gaat dat dan op de plek zelf? Hoe creëer je op de site zelf waardevolle analyses en impressies?
(WV): Er zijn architecten en ontwerpers die heel lang tijd doorbrengen op een plek, en deze proberen te ervaren op verschillende momenten doorheen de dag, om dan pas een stap te zetten. Voor mij werkt het dan weer heel goed om te begrijpen hoe die plek in het grotere systeem thuishoort. Is dat een perceel dat in een verkaveling past waar een verdichting bezig is, of waar een bepaalde invloed speelt? Ik heb het grotere framework nodig om de plek te begrijpen en de kracht ervan te zien.
Daarnaast heb ik intuïtief snel door waar bijvoorbeeld de zon zal ondergaan en waar je misschien graag ‘s avonds in de tuin zou willen zitten. Ik gebruik mijn eigen lichaam heel vaak als een soort referentie om te voelen, als een manier om te visualiseren wat je zou willen of kunnen doen op een bepaalde plek. Dat soort verbeelden, en daarbij gaan schetsen, is een manier om als ontwerper aan de slag te gaan.
Daarnaast zijn er nog heel veel andere manieren. Ik heb vaak met studenten gewerkt op meer sensorische analyse, zoals het terugbrengen van materiaal van een site: takken, bladeren, gevonden objecten, om zo de sfeer van een plek samen te vatten. Dat leidt dan tot heel andere gesprekken over diezelfde plek. Op die manier is het een uitnodiging om meer te proberen en te doen. Zo kunnen we op verschillende schalen en op verschillende manieren een plek bekijken.
(Unité): Wat is een stedenbouwkundig probleem in Vlaanderen waar volgens jou nog te weinig over nagedacht wordt?
(WV): We zijn nog niet zo goed in het denken in ensembles. Het is alsof je het basisrecht hebt om als eigenaar je eigen gevel vorm te geven. Zo wordt er reclame gemaakt voor de kleuren van bakstenen en dakpannen, hoe dit je identiteit zouden vormgeven. Terwijl je de gevel van je eigen huis zelf het minst ziet. Het is de wereld, de buurt, die je gevel het vaakst ziet, en jijzelf niet. Dat we het zo moeilijk hebben om het idee los te laten dat dat misschien niet geïndividualiseerd hoeft te zijn, vind ik een heel interessante vraag. We hebben een eigen volksaard, een bouwcultuur, een systeem van individuele expressie. Dat leidt tot veel meesterschap, zouden we kunnen zeggen, bij architecten die daar heel goed in zijn. Maar het leidt ook vaak tot slechte ideeën, zoals combinaties die niet werken en wanorde.
(Unité): Is er een plek, in Leuven, Brussel, of ergens anders, die volgens jou een goed voorbeeld is van hoe het wel moet?
(WV): Sinds covid hebben wij het park van Tour & Taxis en de Park Lane ontdekt. De hallen zijn gerenoveerd en opnieuw ingevuld. Je voelt dat het een heel bijzondere plek is, zowel wat betreft de straatprofielen, klimaatadaptatie en de architectuur van het wonen, als het hergebruik van de bestaande gebouwen. Ook de opbouw van het park, met successieve vegetatie en waterbuffering, bevat heel interessante elementen.
Tegelijkertijd is het ook een plek waar je duidelijk processen van gentrificatie ziet. Het is dus een mooi voorbeeld van hoe je stedelijkheid kan ontwikkelen, maar het blijft ook een exclusieve plek, en geen inclusieve plek voor de Brusselse bevolking. In die zin is het een interessant voorbeeld, maar zeker ook een plek die vragen en bedenkingen oproept.
(Unité): Wat zijn dingen die je zou willen dat elke student sneller doorheeft?
(WV): Elke gedachte is een product. Alles wat je denkt, vind een manier om dat in een product te vertalen! Dit gaat van een visual, een schets, een concepttekening tot een referentiebeeld. Elke gedachte is een product en als je al die producten meebrengt, heb je tien keer interessantere uitwisselingen met studenten, gasten, docenten, en eigenlijk ook met jezelf.
(Unité): Als je een gewoonte kon meegeven aan studenten die ze nu nog niet hebben, welke zou dat zijn?
(WV): Absorberen! Ga kijken naar dingen die rond je gebeuren, bezoek zoveel mogelijk. Hoe geweldig is het om sociale woonwijken uit de jaren 20 te zien? Wat voor fantastische plekken zijn er toch ooit gebouwd? Trek de wereld in en zie wat er gemaakt is. En vertrouw vooral niet alleen op de foto’s die je online hebt gezien. Probeer de plaats te beleven, ga er dicht tegen aankijken, steek je neus tussen de voegen, doe alle deuren open die je kan openen!
(Unité): Welke boeken hebben jou enorm geïnspireerd, en zou je aan studenten aanraden?
(WV): Iets wat mij echt geïnspireerd heeft, is Taking the Country’s Side, dat vertelt over hoe architectuurtypes en de rurale wereld hand in hand gaan. Dit produceert heel interessante, historische en nieuwe voorbeelden. Het is een interessante manier om niet de stad van het platteland te onderscheiden, maar juist te zien dat er daar een hele cultuur in zit. Dat is een boek dat ik heel hard aanraad. Het mooie is ook dat het tussen architectuur en stedenbouw in zit.
Iets anders wat ik heel interessant vind, is het werk van Tufte, die boeken maakt over datavisualisatie: kennis visueel verwerken in schema’s, grafieken en cartografieën. Daar kan je heel interessante dingen mee doen. Een van zijn werken is Envisioning Information. Daarin behandelt hij onder andere Escaping Flatland. Hierin wordt gezegd dat als je door visualisatie informatie moet weglaten, je eigenlijk niet goed bezig bent. Het gaat meer over complexiteit kunnen samenvatten dan over reduceren. Dat is een heel interessante manier van kijken, die draait om het creëren van helderheid door het samenbrengen van complexiteit.