INTERVIEW. "Licht wordt uitgedrukt in lux, maar is geen luxe"

  • image

Reken- en cijferwerk maakt het mogelijk om een minimaal lichtniveau te bepalen, verschillende scenario’s te vergelijken en fouten te vermijden. “Het zegt echter lang niet alles over het lichtcomfort”, benadrukten Emmanuel Bouffioux (BAEB), Matthieu Busana (Mamout), Yves Sottiaux en Joël Sels alias Dr. Daylight (VELUX) in een collectief interview naar aanleiding van de Architectura Awards. “Dat hangt immers sterk af van het gebruik, de perceptie van ieder individu, de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de directe omgeving en het vermogen van het gebouw om mee te evolueren.”

‘Lichtcomfort kun je niet berekenen: je voelt het’. Het is een stelling die enigszins overdreven blijkt. Het gesprek tussen de twee architecten en de vertegenwoordigers van VELUX leidde namelijk tot de conclusie dat meting en waarneming twee complementaire functies vervullen. De Europese norm EN 17037 biedt een kader voor daglichttoetreding, het uitzicht naar buiten, blootstelling aan de zon en verblinding. Met behulp van simulatietools kan het lichtniveau voorspeld worden op basis van de raamopeningen, de beglazing, de oriëntatie, het seizoen en de diepte van de ruimte(s) in kwestie.

Meten om te kunnen vergelijken

Yves Sottiaux onderstreept het nut van deze tools om te voorkomen dat het lichtniveau in een ruimte onder een aanvaardbaar minimum zakt. “Te weinig blijft te weinig, ook al is meer niet altijd beter. In projecten waar fouten moeilijk recht te zetten zijn — museums, kantoren of zeer diepe ruimtes — biedt vooraf simuleren zekerheid met het oog op belangrijke ontwerpkeuzes.”

Joël Sels gaat nog een stap verder: metingen zijn vooral zinvol wanneer ze het ontwerpend onderzoek ten goede komen. “Is er nood aan één grote raamopening of eerder aan twee kleinere ramen met wat meer afstand tussen? Welk effect heeft een hoog raam ten opzichte van een lager geplaatst raam? Hoe moet een raamopening gepositioneerd worden om de kern van een rijwoning afdoende te kunnen verlichten? Meetwaarden zijn niet de enige doorslaggevende factor, ze maken het vooral mogelijk om verschillende scenario’s te vergelijken en meer lichtinval te verkrijgen met minder raamoppervlak.”

Architecturale intuïtie blijft evenwel bepalend. Emmanuel Bouffioux somt enkele eenvoudige oplossingen op die een wezenlijk verschil kunnen maken. "Denk aan spiegels die zo geplaatst zijn dat ze licht naar een donkere hal weerkaatsen of reflecterende raamkozijnen die het avondlicht opvangen. Deze bijna prehistorische oplossingen kunnen door middel van berekeningen worden getest en geoptimaliseerd, maar hun meerwaarde komt in de eerste plaats voort uit een zorgvuldige ruimtelijke analyse."

Theoretische waarden versus persoonlijke beleving

Alle cijfers, waarden en tabellen ten spijt: ze geven geen uitsluitsel over één cruciale factor, met name de emotionele band met licht. Tijdens de workshops van de Daylight Academy merkt Joël Sels telkens op dat de deelnemers zich spontaan verdelen over zeer lichte plekken en schaduwrijkere zones. "Sommigen zoeken rechtstreekse bezonning op, anderen vermijden ze juist." Yves Sottiaux verklaart deze vaststelling: net als elke andere vorm van comfort is lichtcomfort deels subjectief. "Zoals twee mensen doorgaans een andere voorkeur hebben qua binnentemperatuur hebben ze dit ook qua lichtniveau en de bijbehorende sfeer."

Deze subjectiviteit staat een objectieve basis echter niet in de weg. Het dwingt ons vooral om conformiteit niet te verwarren met persoonlijke beleving. Ook als een ruimte aan alle theoretische drempelwaarden voldoet, kan er sprake zijn van eentonig licht, matige zichten of onaangename blootstelling. Omgekeerd kunnen een bepaalde lichtvariatie, een subtiele schaduw of een incidentele zonnestraal een ruimte een opmerkelijke uitstraling geven zonder de gemiddelde luxwaarde merkbaar te verbeteren.

De mate van controle die aan de gebruiker wordt overgelaten, speelt eveneens een belangrijke rol. Volledig geautomatiseerde zonweringssystemen kunnen in theorie effectiever op oververhitting anticiperen dan bewoners. “Toch blijkt uit experimenten in sterk geautomatiseerde woningen dat mensen het moeilijk vinden om zelf geen beslissingen meer te kunnen nemen", vertelt Yves Sottiaux. "Het is frustrerend om een zonwering naar beneden te zien gaan terwijl je juist van de zon wilt genieten, ook al streeft het systeem een rationeel doel na."

De oplossing is niet om elke vorm van automatisering te bannen. Het kan helpen om een gebouw ventileren, te beveiligen wanneer het niet gebruikt wordt, te waarschuwen voor een hoge CO₂-concentratie of grote installaties te beheren. Maar wanneer er gebruikers aanwezig zijn, moet het mogelijk blijven om zelf het heft in handen te nemen. Joël Sels wijst onder meer op de zeer concrete behoefte om uit eigen beweging een raam open te zetten of een zonweringselement bij te regelen. "Comfort is niet alleen een te bereiken waarde, het omvat ook het vermogen om invloed uit te oefenen op de directe omgeving."

Licht als criterium voor omkeerbaarheid

Bij de realisatie van een individuele woonst kunnen architecten nauwgezet inspelen op de gewoonten en het 'lichtprofiel' van de bewoner(s). Bij collectieve huisvesting is de situatie omgekeerd: er moet ruimte worden geboden aan vooraf onbekende behoeften die bovendien nog kunnen veranderen. Volgens Matthieu Busana zou een goed verlichte ruimte daarom niet afhankelijk mogen zijn van een al te specifieke functie. Slaapkamer, kantoor, sportzaal of speelruimte: de geometrie en de raamopeningen moeten meerdere gebruiksvormen toelaten.

Dit geldt ook op de lange termijn. Een huis zal de levensduur van zijn eerste bewoner ruimschoots overschrijden. Mamout pleit dan ook voor relatief generieke ruimtes, naar het voorbeeld van de Brusselse huizen waarvan de aaneengesloten ruimtes al meer dan een eeuw lang zeer uiteenlopende invullingen hebben gekend. "Als je te precies ontwerpt voor het huidige gebruik kan een gebouw al snel verouderd raken."

Op de schaal van een groot gebouw legt Emmanuel Bouffioux een rechtstreeks verband tussen licht en herbestemming. "Veel kantoorcomplexen uit de jaren 1950 tot 1970 zijn te diep om tot woningen te worden omgevormd zonder een deel te slopen. Bij BAEB streven we er daarom naar om de diepte van onze gebouwen te beperken en – wanneer het project zich daartoe leent – de voorkeur te geven aan een kolom-balkstructuur met lichte invullingen. De volgende architect moet de ruimtelijke indeling kunnen aanpassen en het daglicht naar een andere functie kunnen leiden. Licht wordt zo een criterium voor omkeerbaarheid, net als het structurele raster."

Deze gedachtegang countert de klassieke vastgoedlogica, die nog steeds sterk geënt is op het aantal vierkante meters. Een diep gebouw levert vandaag weliswaar meer oppervlakte op, maar loopt het risico morgen zijn bruikbaarheid te verliezen. Opteren voor een 'verlichtbare' diepte lijkt op korte termijn misschien minder rendabel, maar is juist wat voorkomt dat een deel van het gebouw bij herbestemming moet worden opgeofferd.

Voldoende licht is een basisrecht

De laatste stelling waarmee we het debat kruidden kreeg zowaar een ethische dimensie: is er qua aandacht voor natuurlijke lichtinval een verschil tussen dure luxeappartementen en sociale woningen? Voor Emmanuel Bouffioux moet het antwoord klaar en duidelijk zijn: "Het ontwerp mag in dit opzicht geen enkele concessie doen. De materialen, de uitkragingen of de verfijning van de gevel kunnen variëren naargelang het beschikbare budget, maar voldoende licht is een basisrecht."

Yves Sottiaux is het hier volledig mee eens: "Natuurlijke lichtinval is geen luxe. Regelgeving en normen kunnen een minimumniveau garanderen, maar licht mag zich niet beperken tot een gemiddelde dat op het niveau van een gebouw wordt berekend. Sterker nog: er moet extra aandacht besteed worden aan de minst bevoorrechte woningen en ruimtes. Denk aan woningen met slechts één oriëntatie, aan het zicht onttrokken gevels of te diepe centrale ruimtes."

Lichtkwaliteit impliceert echter niet dat alle woningen identiek moeten zijn of evenveel zonlicht moeten ontvangen. Het houdt in dat iedereen beschikt over voldoende lichtinval, nuttige zichten en een redelijke mogelijkheid om het eigen comfort aan te passen. En het vergt vooral reeds aandacht vanaf de vroegste ontwerpstadia, wanneer de basis wordt gelegd voor euvels die zelfs de meest geavanceerde beglazing niet volledig kan corrigeren.

Joël Sels sluit het debat treffend af met een uitspraak die meetwaarden, maatstaven en gebruiksrecht met elkaar verzoent: "Licht wordt uitgedrukt in lux, maar is geen luxe." Cijfers blijven noodzakelijk om een objectief minimumniveau te bepalen, varianten te vergelijken en verschillen zichtbaar te maken. Architectuur begint echter waar dit minimum tot leefbare, evolutieve en sensitieve ruimtes leidt — voor iedereen en dus niet enkel voor de happy few die zich de beste vierkante meters kunnen veroorloven ...

  • Deel dit artikel

Onze partners