INTERVIEW. "Behoud van de bestaande gebouwschil is het uitgangspunt, maar hoeft geen doel op zich te zijn"

  • image

Een gebouwschil renoveren is vandaag veel meer dan een louter technische ingreep. Architecten en fabrikanten moeten voortdurend afwegen welke elementen behouden kunnen blijven, hoe hedendaagse comforteisen geïntegreerd raken zonder de architectuur te ondergraven en welke nieuwe toevoegingen een bestaand gebouw versterken in plaats van verstoren. Naar aanleiding van de Architectura Awards gingen Floris De Bruyn (GAFPA architectuur, genomineerd met het herbestemmingsproject G1817), Wim Boesten (Bovenbouw Architectuur, genomineerd met de reconversie van Royale Belge) en Lorenz Geens (Wilms, partner van de Architectura Awards) in dialoog over de complexe evenwichtsoefening die schuilgaat achter iedere gevelrenovatie.

Is de duurzaamste gebouwschil degene die je niet vervangt? Op het eerste gezicht lijkt het een retorische vraag, maar volgens onze drie gesprekspartners is het antwoord heel wat genuanceerder. De tijd waarin bestaande gevels automatisch plaatsmaakten voor een volledig nieuwe buitenschil lijkt stilaan voorbij. "Vandaag is het in de eerste plaats een kwestie van rekenen", stelt Wim Boesten. "CO₂-besparingen die je vandaag realiseert, wegen vaak zwaarder door dan besparingen die over een periode van vijftig jaar uitgesmeerd worden. Dat kan leiden tot de beslissing om een bestaande gevel te behouden of slechts specifieke onderdelen te vernieuwen."

Geval per geval evalueren

Bij de reconversie van Royale Belge bleek die afweging evenwel bijzonder complex. De beschermde status van het iconische gebouw maakte een volledige vervanging van de gevel onmogelijk, hoewel daar technisch aanvankelijk wel argumenten voor waren. "Het leek ons een evidentie dat de bestaande gevelprofielen vervangen moesten worden – zeker gezien de waterdichtingsproblemen – maar de betrokken erfgoedexperts zagen dat helemaal anders”, geeft Boesten aan. “Uiteindelijk is de oorspronkelijke draagstructuur behouden, maar hebben we de secundaire draagstructuur – zoals verticale UPN-profielen waarvan de bevestigingselementen in zeer slechte staat waren – toch moeten vervangen. Dit alles met het grootst mogelijke respect voor de originele architectuur en een zo klein mogelijke impact op de esthetische uitstraling, dat spreekt voor zich.”

Ook Lorenz Geens pleit voor een pragmatische benadering. "Wanneer een bestaande gebouwschil technisch nog in goede staat verkeert en je waar nodig gericht verbeteringen kunt aanbrengen, lijkt het me logisch om eerst naar behoud en optimalisatie te kijken in plaats van volledige vervanging. Denk bijvoorbeeld aan de toevoeging van zonwering om de thermische belasting en bijgevolg ook de koelbehoefte te reduceren. Of de installatie van nieuwe ramen met geïntegreerde decentrale ventilatie. Anderzijds hoeft behoud ook geen doel op zich te worden. Als er problemen zijn – structureel, vocht, thermisch comfort, onderhoudslast … – dan is een nieuwe gevel misschien net de duurzaamste keuze. In mijn ogen moet je dus geval per geval evalueren wat de beste oplossing is.”

Volgens Floris De Bruyn hangt veel af van de manier waarop een gebouw oorspronkelijk geconcipieerd is. "In veel kantoorgebouwen wordt de draagstructuur beschouwd als het meest duurzame onderdeel en verandert de gevel sneller van gedaante. Bij Royale Belge ligt dat net omgekeerd en moest de gevel maximaal gevrijwaard blijven. Bij G1817 bevindt de draagstructuur zich dan weer aan de buitenzijde en werd de binnenkant grotendeels uitgehold. Verschillende gebouwen vragen dus om verschillende oplossingen."

Techniek als ontwerpinstrument

De hedendaagse gebouwschil moet aan steeds meer eisen voldoen. Thermische en akoestische prestaties, daglichttoetreding, luchtdichtheid, ventilatie en bescherming tegen oververhitting moeten samenkomen in één geïntegreerd geheel. Bestaat dan niet het gevaar dat al die technische parameters uiteindelijk de architectuur gaan dicteren? “Voor mij hoeft dat helemaal geen contradictie te zijn”, zegt Floris De Bruyn. “Integendeel: vaak zit de potentie van een project juist in de integratie van al die technische aspecten. Je moet voortdurend zoeken naar het juiste evenwicht en jezelf afvragen wat écht noodzakelijk is, natuurlijk zonder er een pure rekensom van te maken. Ik vind het an sich interessant dat er wat weerstand op zit. Dat leidt vaak tot de beste architecturale oplossingen."

Wim Boesten kijkt er op een gelijkaardige manier naar. Volgens hem is het onvermijdelijk dat technische randvoorwaarden een gebouw mee vormgeven. "Thermisch en akoestisch comfort, daglicht, zonwering...: die elementen dicteren de architectuur per definitie. Architectuur kan achteraf misschien een zekere autonomie hebben, maar vloeit in de basis net voort uit al die technische parameters."

Vanuit het standpunt van de fabrikant onderstreept Lorenz Geens vooral hoe belangrijk het is om alle disciplines vroeg in het ontwerpproces samen te brengen. Niet de afzonderlijke optimalisatie van elk onderdeel leidt tot de beste resultaten, maar een integrale ontwerpvisie waarin alle parameters elkaar versterken. "Wij worden vaak pas in extremis betrokken, wanneer de architectuur al grotendeels vastligt en er plots nog zonwering moet worden geïntegreerd. Dat kan weleens vloeken met de visie van de architect. Zeker bij grote glaspartijen wordt de warmtelast soms onderschat. Als je daar van meet af aan rekening mee houdt, kan zonwering mooi geïntegreerd of weggewerkt worden in plaats van achteraf als een noodzakelijk kwaad te moeten worden toegevoegd."

Oud en nieuw in dialoog

Ook de manier waarop nieuwe ingrepen zich verhouden tot een bestaand gebouw laat zich niet vatten in algemene regels. Moeten hedendaagse toevoegingen expliciet herkenbaar zijn of net zo discreet mogelijk opgaan in het bestaande geheel? Opnieuw hangt het antwoord volledig af van de context, stelt Wim Boesten. "Bij Royale Belge is de grens tussen bestaande en nieuwe ingrepen bewust zo onduidelijk mogelijk. Veel gebruikers en bezoekers zullen wellicht niet eens beseffen welke onderdelen nieuw zijn. Net daarin schuilt de kracht van het project: de nieuwe ingrepen voelen vanzelfsprekend aan en versterken de architecturale eenheid."

Bij G1817 werd een andere weg bewandeld. "Je ziet duidelijk welke elementen zijn toegevoegd, maar dat betekent niet dat we bewust een groot contrast hebben willen creëren", vertelt Floris De Bruyn. "We zijn vertrokken vanuit de bestaande beeldtaal van de plek. De felgele staalconstructie vormt een uitgesproken grafisch element, maar sluit tegelijk perfect aan bij de visuele logica van industriële schoringen en tijdelijke constructies die je op dergelijke locaties verwacht. In die zin past ze dus helemaal in het totaalplaatje.”

Ook Lorenz Geens ziet in de praktijk beide benaderingen terugkomen. "Sommige gebouwen vragen om technische oplossingen die volledig opgaan in de architectuur, bij andere projecten mogen screens of rolluiken net zichtbaar blijven en deel uitmaken van de architecturale uitstraling. Hetzelfde geldt voor kleurgebruik: sommige architecten kiezen bewust voor een discrete zwarte uitvoering, terwijl anderen net kleurrijke accenten willen leggen. Beide benaderingen zijn verdedigbaar, zolang er een duidelijke ontwerpvisie achter schuilt."

  • Deel dit artikel

Onze partners