• 21 oktober 2026
  • NL
  • FR

INTERVIEW. Natuur laat zich niet vastleggen in een eindbeeld

  • image

Een groen ontwerp is bij oplevering niet af. Het groeit, verandert en reageert op gebruik en beheer. Dat vraagt ook een andere houding van ontwerpers, opdrachtgevers en overheden. In het tweede deel van ons debat naar aanleiding van de Architectura Awards bespreken Sarah Van de Velde (Bureau Bas Smets), Jeroen Deseyn (Plant en Houtgoed) en Filip Vanlommel (Talea) drie nieuwe stellingen. Over controle loslaten, ontwerpen vanuit beheer en biodiversiteit als criterium bij vergunningen.

Talea is een officiële partner van de Architectura Awards 2026. Plant en Houtgoed werd binnen de Groen-Blauw Award genomineerd omwille van het ZIN-project in Brussel, Bureau Bas Smets voor de centrumvergroening in Genk.

Een ontwerp dat blijft evolueren

Stelling 4: Natuurinclusief bouwen vraagt dat ontwerpers een deel van de controle over hun project durven loslaten.

“Groen is minder voorspelbaar dan bakstenen”, vat Jeroen Deseyn het verschil kernachtig samen. “Een gebouw bereikt bij oplevering grotendeels zijn beoogde vorm. Bij een landschap begint het proces dan pas. Vegetatie groeit en verandert. Ook spontane natuur laat zich niet volledig sturen. Dat controleverlies is voor architecten soms een nieuwe ervaring. Landschapsarchitectuur komt bij architectuuropdrachten gelukkig steeds minder vaak pas achteraf.”

Sarah Van de Velde ziet eveneens een fundamenteel verschil. “Een opgeleverd gebouw is op dat moment op zijn best. Een landschapsproject groeit doorheen de jaren en wordt met het juiste beheer steeds beter.” Dat vraagt ook andere verwachtingen bij opdrachtgevers. “Een jonge boom oogt bij oplevering misschien minder indrukwekkend. Maar net die kleinere boom heeft vaak betere kansen om aan te slaan en zich duurzaam te ontwikkelen. Het is altijd zoeken naar het evenwicht tussen het beeld bij oplevering en hoe je het project laat groeien.”

Filip Vanlommel trekt het principe van loslaten nog verder door. Natuurinclusief ontwerpen begint volgens hem met kijken naar wat al aanwezig is. “Moeten we iets aanpassen of wat kunnen we behouden dat er vandaag al is? Dat geldt voor bestaande bomen, maar ook voor gebouwen. Oude constructies bieden bijvoorbeeld vaak nest- en schuilplaatsen die bij een ingrijpende renovatie of nieuwbouw verdwijnen.”

Net daarom pleiten de drie voor een vroege samenwerking tussen verschillende disciplines. Ecologen en landschapsarchitecten horen vanaf het begin in het ontwerpteam. Ook aannemers kunnen al vroeg waardevolle praktische kennis inbrengen. Zo komen mogelijke tegenstellingen tussen energie, klimaat en biodiversiteit sneller aan het licht.

Beheer begint aan de ontwerptafel

Stelling 5: De kwaliteit van een groen project wordt uiteindelijk meer bepaald door het beheer dan door het oorspronkelijke ontwerp.

Van de Velde nuanceert de stelling. “Het beheer is niet meer bepalend. Het is simpelweg een essentieel onderdeel van het ontwerp. Daarom moeten beheerders al vroeg mee aan tafel zitten. Niet alleen hun kennis telt, maar ook de beschikbare mensen, machines en budgetten. Een intensief beheerde private tuin vraagt immers een andere aanpak dan een publieke ruimte.”

Ook Deseyn benadrukt het belang van kennis over natuurbeheer. “Vooral tijdens de eerste jaren kan verkeerd beheer een ontwerp snel in de verkeerde richting sturen. Toch hoeft beheer niet alleen te dienen om een vooraf bepaald beeld in stand te houden.” Bij het Asiat Park experimenteert Hout en Plantgoed met ‘design by maintenance’: ontwerp door beheer. “Na de ontharding, aanplant en inzaaiing stuurt het beheer mee hoe het landschap zich verder ontwikkelt. Dat vraagt veel ecologische kennis én een opdrachtgever die ruimte laat voor verandering. Het beheerplan vormt er dan ook een belangrijk onderdeel van het ontwerp.”

Volgens Vanlommel vraagt dat van ontwerpers vooral verbeeldingskracht op lange termijn. “Als je vandaag iets tekent, moet je ook weten hoe het er binnen dertig jaar uitziet. Door natuurlijke processen maximaal te benutten, daalt bovendien de beheerlast.” Ontwerpers hebben volgens hem ook een rol in het opnieuw verbinden van mensen met die processen. Ze moeten duidelijk maken hoe een landschap zich doorheen de jaren ontwikkelt.

Biodiversiteit laat zich moeilijk afvinken

Stelling 6: Biodiversiteit moet bij een vergunningsaanvraag even zwaar wegen als energieprestaties.

Een biodiversiteitscertificaat klinkt voor Van de Velde interessant, maar roept meteen een fundamentele vraag op. “Energieprestaties laten zich relatief eenvoudig meten. Biodiversiteit is veel moeilijker in cijfers te vatten. Het gaat niet over een bepaald aantal soorten introduceren of een aantal faunamaatregelen nemen. Je moet het op de juiste schaal en op de juiste plek doen. Een biodiverse tuin rond een vrijstaande villa die open ruimte inneemt, scoort vanuit een bredere ruimtelijke blik niet noodzakelijk beter dan een compacte stadswoning met een klein stadstuintje. Je moet dat in een grotere context bekijken. Het mag geen checklist op perceelniveau worden.”

Deseyn herkent dat spanningsveld vanuit het ZIN-project. Het gebouw behaalde een BREEAM-certificaat ‘Outstanding’, waarin ook ecologie meespeelt. “Zulke systemen geven opdrachtgevers een extra stimulans om te investeren in biodiversiteit. Maar je kan niet één afvinklijst maken waaraan elk gebouw moet voldoen. Het moet altijd geënt zijn op de plek zelf.”

Vanlommel ziet tegelijk voordelen in een herkenbare biodiversiteitstoets. “Het EPC-label heeft energieprestaties breed op de agenda gezet. Een gelijkaardig instrument kan hetzelfde doen voor biodiversiteit. Men zou een streefdoel kunnen vastleggen en dan eisen dat men aantoont waarom het niet kan worden gehaald of ervan wordt afgeweken.”

Toch waarschuwt Van de Velde voor een nieuwe laag regelgeving. “Vergunningsprocedures zijn vandaag al complex en tijdrovend. Extra labels dreigen projecten verder te vertragen, terwijl klimaatadaptatie juist snel actie vraagt.” De uitdaging ligt daarom in duidelijke doelen, zonder de oplossingen vooraf dicht te timmeren. Vanlommel vult aan: “Formuleer eerst helder de doelstelling en de criteria waaraan een oplossing moet voldoen. Zoek daarna pas naar die oplossing.”

Ruimte geven, verbanden zien, verschil maken

Aan het einde van het debat vroegen we aan ieder een zelfgekozen quote. Deseyn grijpt naar journalist en activist George Monbiot: “Rewilding is not about abandoning civilisation but about enhancing it; it is to 'love not man the less, but Nature more'.” Meer ruimte geven aan natuur betekent voor hem niet dat mensen terrein verliezen. Integendeel. Groen verrijkt de omgeving en de gemeenschap.

Van de Velde kiest drie woorden van natuuronderzoeker Alexander von Humboldt: ‘Alles is wisselwerking.’ Die systemische blik sluit nauw aan bij haar kijk op ontwerpen. Niet de afzonderlijke bouwstenen staan centraal, maar de relaties tussen bodem, water, vegetatie, klimaat en gebruik. “Onze taak als ontwerper is om die logica’s van een plek te begrijpen en opnieuw zichtbaar te maken.”

Vanlommel eindigt met een quote van Jane Goodall: ‘Wat we doen maakt een verschil en we moeten beslissen wat voor verschil we willen maken.’ “Het is bedoeld als een oproep om te streven naar een wereld met meer harmonie tussen mens en natuur. Elke ontwerper, architect en landschapsarchitect moet beslissen waar hij of zij het verschil wil maken.”

Samen brengen de drie quotes het debat terug tot dezelfde essentie. Natuurinclusief ontwerpen vraagt meer dan groen toevoegen aan een afgewerkt plan. Het vraagt dat ontwerpers natuurlijke processen begrijpen, ruimte laten voor verandering en verder kijken dan de oplevering. Een sterk groen project heeft daarom geen definitief eindpunt. Het blijft zich ontwikkelen.

  • Deel dit artikel