• 03 oktober 2026
  • NL
  • FR

INTERVIEW. Ontwerpen voorbij het zichtbare: ruimte maken voor techniek en verandering

  • image

Een interieur wordt niet alleen bepaald door wat zichtbaar is. Achter plafonds, wanden en vloeren schuilt een groeiend pakket aan technieken dat meebepaalt hoe comfortabel en aangenaam een ruimte aanvoelt. Akoestiek, ventilatie en verlichting moeten hun plaats krijgen zonder het architecturale concept te overheersen. De uitdaging ligt dan ook niet in het verbergen van techniek, maar in het zorgvuldig integreren ervan.

Tegelijk stopt een ontwerp niet bij de noden van vandaag. Gebruikers veranderen, functies verschuiven en technische eisen evolueren. Aan de hand van drie stellingen onderzoeken Bert Bultereys van Tab Architects, Elisabeth Lehouck van aNNo Architecten en Steven De Bondt van Rockfon hoe ontwerpers ruimte kunnen maken voor techniek én verandering. De projecten Léon en Abby Kortrijk, beiden terug te vinden op de shortlist van de Architectura Awards, tonen hoe die zoektocht zowel in hedendaagse architectuur als bij herbestemming tot onverwachte oplossingen kan leiden.

Stelling 1: technische prestaties mogen het interieur niet dicteren, maar ze mogen ook niet achteraf worden opgelost

Voor Bert Bultereys draait het vooral om het juiste moment. Een oplossing vastleggen voordat de ruimtelijke en technische eisen duidelijk zijn, heeft weinig zin. Eerst moet worden bepaald wat een ruimte nodig heeft: ventilatie, verlichting, akoestiek en andere technieken. Vervolgens begint de ontwerpopgave om die eisen tot één geheel te smeden.

Daarbij telt niet alleen de technische prestatie. Ook de manier waarop verlichting, ventilatie, rookmelders en detectoren worden ingeplant en geïntegreerd, beïnvloedt de ruimte. “Je kunt heel mooie ruimtes ontwerpen die toch heel onrustig aanvoelen door een onzorgvuldige inplanting van heel wat elementen”, zegt Bert. Technische integratie vraagt daarom samenwerking met ingenieurs die ook oog hebben voor het architecturale geheel.

Techniek hoeft bovendien niet altijd te verdwijnen. In sommige projecten kan ze net zichtbaar deel uitmaken van het concept. “Het gaat over de manier waarop je ze conceptueel sterk integreert met de architectuur en de ruimtelijkheid van het gebouw”, vindt Bert.

Bij Léon bleef bijvoorbeeld de betonnen plafondstructuur zichtbaar, terwijl technieken waar mogelijk werden geïntegreerd en de vloer als technische verdeler werd ingezet. In historische ruimtes is die oefening vaak complexer. “Het echt onzichtbaar wegwerken is denk ik een illusie die wij zo goed mogelijk proberen te creëren”, zegt Elisabeth. De uitdaging wordt dan om hedendaags comfort toe te voegen zonder de bestaande kwaliteiten van de ruimte uit te wissen.

Ook akoestiek toont hoe techniek de beleving mee bepaalt. In het paviljoen van Abby zijn bijvoorbeeld grote delen van de wanden en het plafond voorzien van een geluidsabsorberende oplossing. Ondanks het volume en de vele bezoekers blijft de ruimte daardoor akoestisch aangenaam.

Voor Steven De Bondt wordt de uitdaging het grootst waar verschillende eisen samenkomen. “Gangen zijn daar een typisch voorbeeld van: technieken en leidingen moeten er worden gecombineerd met toegankelijkheid, akoestiek, stabiliteit en brandveiligheid. Een goede technische integratie is daarom zelden één oplossing: alle onderdelen moeten als geheel worden bekeken.”

Stelling 2: het plafond verdient dezelfde ontwerpaandacht als de vloer en de wanden

“Volledig mee akkoord”, zegt Elisabeth. Historische interieurs tonen volgens haar hoe betekenisvol plafonds kunnen zijn. “Moulures, rozetten en verlichting maken een ruimte niet alleen rijker, maar vertellen ook iets over haar functie en status. Ook in hedendaagse architectuur speelt het plafond een rol in hoe een ruimte wordt ervaren. Bij Léon vormt de zichtbare betonstructuur met haar uitgesproken ritme en sporen van de houten bekisting een essentieel onderdeel van het interieur. De ruwheid hoeft er niet te worden weggewerkt, maar draagt net bij aan de sfeer en identiteit van het gebouw.”

Tegelijk noemt Bert het plafond een van de meest uitdagende vlakken om te ontwerpen. Verlichting, ventilatie, akoestiek en andere technieken komen er samen. De opgave bestaat erin die verschillende eisen te verzoenen zonder dat het plafond een verzameling technische oplossingen wordt. “Voor ons moet een plafond niet het meest in het oog springende element van een ruimte zijn. Het moet wel passen in het geheel.”

Hoe aanwezig het plafond mag zijn, hangt af van de ruimte. In een museum kan het bewust zo neutraal mogelijk blijven, zodat alle aandacht naar de kunst gaat. Een historische houten roostering kan daarentegen net een beeldbepalend element zijn dat zichtbaar moet blijven.

Dat vraagt soms om technische oplossingen die zich aanpassen aan de architectuur in plaats van omgekeerd. “Het zou enorm zonde zijn om te gaan discussiëren met een architect dat die mooie uitgewerkte plafonds of bakstenen gewelven weg moeten ten koste van een van onze oplossingen”, zegt Steven. “Akoestiek moet zich in zulke gevallen aanpassen aan de architectuur, bijvoorbeeld door naar wanden of andere oppervlakken uit te wijken.”

Stelling 3: een goed interieur hoeft niet tijdloos te zijn, maar het moet wel verandering toelaten

Voor Bert behoort veranderbaarheid tot de essentie van architectuur. “Een gebouw of architectuur die geen verandering toelaat, is eigenlijk geen architectuur, maar eerder misschien een kunstwerk. Gebruikers veranderen, functies evolueren en technische installaties worden aangepast. Een gebouw moet die ontwikkeling kunnen opnemen.”

Dat betekent niet dat elke ingreep zomaar moet kunnen. Verandering werkt het best wanneer ze voortbouwt op het oorspronkelijke concept en de ruimtelijke kwaliteiten respecteert. Bij erfgoed maakt die evolutie vaak bewust deel uit van het proces. Elisabeth spreekt dan over projecten waarin bewust met slow growth wordt gewerkt: eerst dringende delen herstellen, vervolgens tijdelijke functies toelaten en vanuit die ervaringen bepalen welke volgende ingrepen wenselijk zijn. Een langetermijnvisie of masterplan voorkomt daarbij dat opeenvolgende aanpassingen losse kortetermijnbeslissingen worden.

Ook op technisch vlak groeit de vraag naar flexibiliteit. Steven ziet in onder andere musea en scholen steeds vaker de behoefte aan systemen die kunnen worden gedemonteerd, uitgebreid of hergebruikt. Geschroefde of opgehangen elementen kunnen bijvoorbeeld worden verplaatst wanneer een ruimte later anders wordt ingericht.

Léon lijkt die veranderbaarheid al in zich te dragen. Tijdens het herbestemmingsonderzoek werd naast de huidige kantoorfunctie ook gedacht aan residentieel gebruik. “Ik kan mij wel inbeelden dat dat gebouw weer een transformatie kan doormaken”, zegt Elisabeth. “Ik denk wel dat we dat toelaatbaar hebben gemaakt.”

Ook Abby werd niet rond één onveranderlijke functie ontworpen. De publieke aard van het gebouw ligt volgens Bert voor de hand door zijn geschiedenis, positie en betekenis in de stad, maar binnen dat kader kunnen ruimtes andere invullingen krijgen. Het paviljoen hoeft niet altijd restaurant of bar te blijven, net zoals het dormitorium in de toekomst anders kan worden gebruikt.

Ontwerpen voorbij het zichtbare betekent zo ook ontwerpen voorbij het heden. Niet door te voorspellen welke functie een gebouw later zal krijgen, maar door technische en ruimtelijke keuzes te maken die nieuwe invullingen niet bij voorbaat uitsluiten.

  • Deel dit artikel