OPINIE. De brand in Hitlers Adelaarsnest maakt het gebouw opnieuw gevaarlijk (Cente Van Hout)

  • image

Op het eerste gezicht lijkt de brand in Hitlers Adelaarsnest een symbolische poging om af te rekenen met het naziverleden van het gebouw. Maar de ruïne die achterblijft, dreigt juist de monumentaliteit op te roepen die een alledaags schnitzelrestaurant decennialang had ontkracht.

De moeilijke omgang met naziarchitectuur is niet nieuw. Na de Tweede Wereldoorlog bestond de vrees dat gebouwen die rechtstreeks met Hitler verbonden waren, bedevaartsoorden voor sympathisanten zouden worden. Zijn Berghof in de Beierse Alpen werd daarom in 1952 opgeblazen. De plek van de Führerbunker in Berlijn verdween onder de naoorlogse stadsontwikkeling. Maar afbreken was niet de enige strategie. Hitlers geboortehuis in het Oostenrijkse Braunau am Inn werd onteigend en na jarenlange discussie omgevormd tot een politiebureau. Het Olympisch Stadion in Berlijn, gebouwd voor de Spelen van 1936 onder nazi bewind, werd de thuisbasis van Hertha BSC en vormde in 2024 het decor voor de finale van het EK voetbal. Ook het voormalige nazistische partijcongresterrein in Neurenberg kreeg nieuwe functies, onder meer als locatie voor sport en rockfestivals.

Die strategie werd ook toegepast op het Adelaarsnest. Het afgelegen representatiegebouw van het naziregime werd in 1952 een bergrestaurant, waar jaarlijks zo’n 350.000 toeristen kwamen voor het uitzicht, een biertje of een schnitzel. Een plek die ooit voorbehouden was aan de nazistische elite, werd een alledaagse toeristische bestemming. De architectuur overleefde het regime, maar kreeg zo een heel andere betekenis.

De brand maakt abrupt een einde aan die vanzelfsprekende herbestemming. Maar wat moet er nu met het Adelaarsnest gebeuren? Het gebouw reconstrueren, de overblijfselen afbreken of bewaren?

Het gebouw ligt er nu bij als een ruïne. Waar een alledaagse invulling de monumentaliteit tempert, kan een ruïne juist stilte en ontzag oproepen en ruimte bieden voor mythologisering.

Dat potentieel van de ruïne was de nazi’s zelf niet ontgaan. Albert Speer, Hitlers bekendste architect, ontwikkelde de Ruinenwerttheorie, waarin het verval van gebouwen een centrale plaats kreeg. Zoals de ruïnes van het oude Rome eeuwen later nog getuigen van een verdwenen beschaving, zo moest ook de architectuur van het Derde Rijk de tand des tijds doorstaan zonder haar grootsheid te verliezen. Zelfs in verval moesten de gebouwen toekomstige generaties blijven imponeren. Niet als plekken die een nieuw leven kregen, maar als monumentale overblijfselen van een verdwenen rijk.

Het Adelaarsnest werd niet door Speer ontworpen en was evenmin een toepassing van zijn theorie. Toch dreigt de verwoestende brand het gebouw onbedoeld dichter bij dat ideaal van monumentaal verval te brengen. De omvang van de schade maakt een snelle wederopbouw onzeker, waardoor de ruïne mogelijk jarenlang blijft bestaan. Zolang een nieuwe bestemming uitblijft, dreigt de plek zo ruimte te bieden voor ongewenste toe-eigening. De spectaculaire bergweg, de tunnel door de rotsen en de lift naar de top versterken dat risico. Wat jarenlang een normale toeristische uitstap was, kan opnieuw een bijna sacrale tocht naar een beladen monument worden. Wat daarom vooral zo snel als mogelijk moet terugkeren, is de banaliteit. Een functie die het naziverleden overstijgt. 

Naast de vraag naar een nieuwe invulling dringt zich ook een architecturale vraag op: hoe gaan we om met de beladen geschiedenis van het gebouw? Want ook een alledaagse herbestemming houdt risico’s in. Zonder historische duiding kan de banalisering van een plek als het Adelaarsnest omslaan in een ongemakkelijke normalisering van haar verleden. Maar het gebouw volledig uitwissen nu het in puin ligt, zou ook een gemiste kans zijn. Onze steden staan vol gebouwen met een weinig fraai verleden. Dat verleden zichtbaar en begrijpelijk maken is doorgaans zinvoller dan het uitwissen. In Auschwitz en Breendonk is het behoud van de materiële geschiedenis essentieel voor de herinnering aan de slachtoffers. Het Adelaarsnest heeft een andere historische betekenis. Niet elke plek die met het nazisme verbonden is, vraagt om dezelfde vorm van herdenking. Sommige plekken bewaren we om te herinneren, andere geven we een nieuwe functie om te tonen dat hun verleden niet hun toekomst hoeft te bepalen.

De Beierse minister van Binnenlandse Zaken Joachim Herrmann heeft alvast gepleit voor de wederopbouw van het Adelaarsnest. Maar reconstrueren we het gebouw dan exact zoals het was, of durven we ruimte te laten voor een nieuwe architecturale interpretatie? Dat laatste hoeft geen afbreuk te doen aan het erfgoed. Het Olympisch Stadion in Berlijn werd begin deze eeuw ingrijpend verbouwd om aan hedendaagse eisen van comfort en gebruik te voldoen. De nieuwe architectuur bleef daarbij herkenbaar naast de oude. Juist die ingrepen maakten het mogelijk dat het stadion relevant bleef, zonder zijn geschiedenis en het naziverleden uit te wissen. Een vergelijkbare aanpak kan ook voor de wederopbouw van het Adelaarsnest een interessante piste zijn.

Die nieuwe architectuur hoeft niet spectaculair te zijn. Integendeel: haar kracht kan juist liggen in het mogelijk maken van gewone, hedendaagse vormen van gebruik, zonder de historische beladenheid van de plek te ontkennen. De wederopbouw hoeft geen poging te zijn om het verleden te herstellen, maar kan tonen hoe vrij we vandaag zijn om ermee om te gaan.

Want wie het nazisme wil bestrijden door zijn architectuur te vernietigen, overschat misschien de macht van die architectuur. Een ideologie schuilt niet in stenen, maar in de ideeën die mensen eraan verbinden. Door gebouwen uit te wissen alsof daarmee ook hun ideologische betekenis verdwijnt, dreigen we die stenen juist een betekenis toe te kennen die ze op zichzelf niet bezitten. Misschien schuilt de meest doeltreffende denazificatie van architectuur daarom niet in haar vernietiging, maar juist in haar een toekomst te geven die haaks staat op wat haar makers zelf hadden gewild.

  • Deel dit artikel

Onze partners