STEEN & BEEN. Benoît (Filip Canfyn)
Onze huiscolumnist Filip Canfyn grijpt de publicatie van ‘Benoît. Kunstenaar in architectuur’ van An Fonteyne en Elke Schoonen (uitgeverij Scheidegger & Spiess) aan om een postume hommage te schrijven voor zijn eminente ex-dorpsgenoot Benoît van Innis, die in 2024 veel te vroeg overleden is.
Ik mag zeggen dat ik Benoît vrij goed gekend heb. Hij was de bestie van mijn broer tijdens onze jeugdjaren in Sint-Kruis. Ik schreef meer dan twintig jaar geleden al deze bewonderende zinnen in een column voor De Morgen: “Benoît, de tekenaar en schilder van internationale klasse, geeft mij een fier gevoel als hij de pers haalt. Hij is één van ons. Wortel schietend in een kasteeltje vol francofone kleine adel (zijn messcherpe prenten over de bourgeoisie zijn gewoon surrealistische prints van nobele jeugdsouvenirs) werd hij de favoriete kameraad van mijn broer, die met hem de liefde voor blauwzwart en ander kattenkwaad deelde. Benoît, de Zak van de hoge huichelkringen, pent nu zijn eigen leven maar is en blijft one of us.”
En toen moest het architecturale werk van Benoît nog volop beginnen. Hoewel vader van Innis droomde van een zoon-architect koos die laatste voor een kunstopleiding maar koesterde stiekem een brandende liefde voor architectuur. Tekeningen en cartoons met een wereldwijde bijval werden ingeruild voor secure ingrepen in de gebouwde omgeving. De acht zwart-op-wit-portretten in het Maalbeek-metrostation in Brussel, als orgelpunt van een renovatie door De Smet-Vermeulen Architecten en met de hulp van zijn vaste Portugese tegelbakker, leken in 2000 nog een voorzichtig statement. Ze werden echter iconisch (genoemd) na de aanslag en de gedeeltelijke verwoesting in 2016, wat Benoît zelf sacraliseerde in ‘De Olijfboom’ op diezelfde gepijnigde wand. In 2002, toen Brugge Culturele Hoofdstad van Europa was, plaatste hij de reuzenazulejo ‘Playtime’ op een betonmuur van het Jan Breydelstadion. Hij herdefinieerde wat kunst kan betekenen in de publieke ruimte van Deinze (2013), samen met Marie-José Van Hee en Robbrecht en Daem. De voorbeelden werden legio maar vooral de samenwerkingen met gabber Philippe Vierin en zijn noA getuigden van een artistieke vriendschap, die blijft duren. Het behangpapier van Benoît voor het stadhuis van Menen (2007), dat vakkundig in ere hersteld werd door noA, zal dankzij een herinterpretatie van dochter Alice van Innis te bewonderen zijn in Kanal – Centre Pompidou, de ook al door noA als kunstencentrum heruitgevonden Citroëngarage in Brussel, die op 28 november (eindelijk) de deuren opent.
Bij het overlijden van Benoît schreef Gideon Boie een artikel onder de titel ‘De architectuur van Benoît’. Deze citaten zeggen alles wat nog moet gezegd worden: “De term kunstintegratie toont hoe creativiteit doorgaans verdwijnt onder de naam van de architect. De kunstenaar wordt gezien als een dienstverlenend rolletje, even operatief als de rol van landmeter of fotograaf. Bij het werk van Benoît moeten we de rollen maar eens durven omdraaien. (…) De werken van Benoît gaan voorbij aan het obligate kunstwerk aan de muur van publieke gebouwen, maar verdwijnt in de architectuur, meer nog: het kunstwerk is architectuur.”